|
Vrijwel
iedereen die tot besef van zijn ware natuur is gekomen, is het erover
eens dat er nog een periode nodig is om dat besef te integreren, om
als het ware tot 'rijping' te komen nadat het echt is doorgedrongen.
Maar lang niet iedereen is het eens over de noodzaak om over dat integreren
uit te wisselen. Veel mensen zeggen, of laten merken dat erover spreken
niet kan: bewustzijn is immers het enige dat er is. Dus behoeft alles
wat maar enigzins 'anders' lijkt dan bewustzijn geen verdere aandacht.
De hele integratie, die helemaal vanzelf gaat omdat er geen 'doener'
meer is, zou geen enkel commentaar vergen.
Ik vind dat
jammer en onterecht.
Waarom? Omdat hierdoor allerlei elementen weggemoffeld kunnen blijven
die er wel degelijk zijn, althans op het niveau van gewone menselijke
verhoudingen. Voor dat wegmoffelen heeft Andrew Cohen de term 'Advaita
Shuffle' bedacht, de 'Advaita-wisseltruc'. Hoewel Andrew zich wat te
veel heeft vastgebeten in dat gegeven (vanuit de basisvergissing 'je
bent wat je doet'), vind ik zijn term Advaita Shuffle nog steeds een
heel goede aanduiding voor wat ik hier bedoel. Het duidt op het heimelijk
(of onbewust) verplaatsen van een onderwerp dat als bedreigend of lastig
wordt ervaren naar een niveau waar dat lastige is 'opgelost', namelijk
opgelost in de substantie waar het inderdaad uit bestaat: Bewustzijn
zelf, louter Kennen. Er wordt dus een wegmoffeltruc uitgehaald om niet
aanspreekbaar te hoeven zijn als persoon (omdat immers de 'persoon'
als onecht is doorzien). En om die aanspreekbaarheid gaat het nou juist.
Want wat is
aanspreekbaarheid?
Het is het openstaan voor de realiteit van alle niveaus, hoe tijdelijk
en relatief ook, en de bereidheid om je op alle niveaus af te stemmen.
Het betekent ook een bereidheid om naar opmerkingen te luisteren die
bijzonderheden over ons optreden bevatten die voor onszelf een blinde
vlek kunnen zijn. Al heb je diepgaand gezien en 'ervaren' dat je niets
anders bent dan ongedifferentieerd, homogeen Bewustzijn, in de omgang
met mensen ben je nog steeds een zichtbare en zich-gedragende gestalte
die zich altijd kan vergissen. En niets of niemand is erbij gebaat om
een vergissing op rekening van 'Bewustzijn' te schuiven.
Padmasambhava,
de achtste-eeuwse leermeester die met Dzogchen het meest wezenlijke
element in het Tibetaanse Boeddhisme heeft geïntroduceerd, liet
over dit onderwerp geen twijfel bestaan. In een tekst (waarin de term
'zicht' - lta-ba in het Tibetaans - duidt op het kijken vanuit
de herkenning van je ware natuur) schreef hij:
"Laat het zicht niet verloren gaan in het gedrag.
Als
je het zicht verloren laat gaan in het gedrag,
zul je geen enkele kans maken om bevrijd te worden.
Laat het gedrag niet verloren gaan in het zicht.
Als je het gedrag verloren laat gaan in het zicht,
zul je in donkere verwarring blijven ronddolen."
Hij
schetst daarmee de twee polen van vergissingen. De eerste pool is dat
je eindeloos blijft schaven aan de persoon, aan het gedrag, waardoor
het zicht op de ware natuur steeds achter de horizon blijft. De tweede
pool - waarvan de grote twintigste-eeuwse Dzogchen-leraar Tulku Urgyen
in zijn commentaar op de tekst zegt dat die vergissing nog groter is
- betekent dat je, doordat je in het zicht hebt gezien dat goed en kwaad
niet bestaan, in je gedrag ook gaat doen alsof goed en kwaad niet bestaan.
Tulku Urgyen benadrukt dat om die reden zicht en gedrag duidelijk onderscheiden
moeten blijven. Je gedrag moet in harmonie zijn met gewone menselijke,
'wereldlijke' waarden en verschillen.
Padmasambhava zei verder: "Ook al is het zicht zo wijd als het luchtruim,
je moet ervoor zorgen dat je gedrag zo fijn is als gerstemeel." Met
andere woorden, zelfs iemand als Padmasambhava, die in Tibet als 'tweede
Boeddha' wordt beschouwd, met zijn volledigheid van realisatie van non-dualiteit,
bleef gewoon benadrukken dat elke millimeter van je gedrag de moeite
waard is om aandacht aan te besteden. En dat is tot de dag van vandaag
in die Tibetaanse traditie zo doorgegeven. (Misschien is het nuttig
om hier op te merken dat de vorm van Tibetaans boeddhisme waar we het
hier over hebben, Dzogchen, geheel is gebaseerd op onmiddellijke herkenning,
zodat niet de gedachte kan postvatten dat die aandacht voor het aardse
een typisch voorbeeld is van het eindeloos in voorbereidende stadia
blijven hangen, zoals bij veel andere boeddhistische scholen het geval
is).
Waarom breng
ik dit hier in Advaita-context zo stellig naar voren, en gebruik ik
er in de titel de uitdrukking 'heet hangijzer' voor? Omdat ik zelf direct
heb ervaren hoe onaantastbaar (en onbespreekbaar) bepaalde gedragingen
in Advaita-kringen blijven. Vooral als 'gedrag' op het gedrag van de
leraar slaat, wordt een en ander heel diffuus. De kwestie is namelijk
dat hier altijd macht om de hoek komt kijken. Niet macht in de zin van
openlijke dwingelandij. Nee, dat zou het door de zichtbaarheid nogal
makkelijk maken. Het is juist macht die via verleiding werkt, via charisma,
het gebruik maken van een onzichtbare aantrekkingskracht. De leerling
komt door die aantrekkingskracht in de positie dat hij heel graag iets
wil ontvangen - geestelijk 'voedsel' - en door die honger wordt de eigen
integriteit vaak opgeofferd.
Dat wordt veroorzaakt door het verschijnsel dat in de psychologie 'overdracht'
wordt genoemd. Overdracht wil zeggen dat degenen die je als kind hebben
gevoed - vader, moeder enzovoort - als psychische 'dia's' in je blijven
bestaan, en dat je die dia's projecteert op iemand van wie je in het
heden voedsel hoopt te krijgen (en dan nu geestelijk voedsel). Dat projecteren
gaat vanzelf, helemaal onbewust. In je angst dat je geen voedsel meer
zult krijgen als je eerlijk zegt dat een bepaalde gedraging je kwetst,
zul je je mond houden. Alleen zo kan een machtsspel in stand blijven:
dankzij de angst van de voedingsbron te worden afgesneden.
Alexander Smit,
die in de tachtiger jaren mijn leraar was, zei weleens dat er drie valkuilen
voor een leraar zijn: macht, sex en geld. Toen ik hem later eens zei
dat hij naar mijn mening in alledrie de valkuilen was gestapt, bleek
hij niet bereid om daarop in te gaan. Ondanks zijn nadruk op het belang
van 'niets ontkennen' bleek hij niet open te staan voor de uitnodiging
om te onderzoeken of hij zich misschien op bepaalde onderdelen vergiste.
Ik wil Alexander hier niet in een kwaad daglicht plaatsen. Ik blijf
hem dankbaar voor wat hij mij heeft aangereikt wat betreft het 'zicht',
en ook de vriendschap die ik met hem had blijft voelbaar in het hart.
Nogmaals, het gaat er niet om iemand aan te klagen. Iedereen maakt vergissingen
- volmaakt gedrag is niet mogelijk. Daar gaat het hier niet om. Het
gaat om de bereidheid erover te communiceren, de openheid om, als iemand
anders er last van heeft, eigen geneigdheden onder de loep te nemen,
dus ook machtsdrift, oneerlijkheid, ontrouw, hebzucht, enzovoort: alles
wat een ander pijn kan doen. Het ontbreken van die bereidheid is in
feite het doorgeven van onwaarheid, want datgene wat wel degelijk door
iemand anders wordt gevoeld, wordt (door de ontsnapping naar het niveau
van ongedifferentieerd Bewustzijn) tot iets dat door die ander betwijfeld
kan worden. Dat zal zeker gebeuren als jij als 'verder' of 'hoger' wordt
ervaren. Het is ondermijning van zijn vertrouwen in de eigen intuïtie,
het diepste wat hij als 'persoon' kent, en dat tegelijkertijd de kiem
in zich draagt van het tijdloze dat hij is. Vandaar dat het zo belangrijk
is dat dit juist niet wordt ondermijnd.
Het bewuste
fenomeen doet zich in versterkte mate voor naarmate meer gedacht wordt
in termen als 'verlichting'. "Hij is verlicht, en ik niet" is zo'n beetje
de diepste basis voor de hierboven geschetste machtsverhouding, met
de erbij horende inlevering van waarheid. Om die reden maak ik bezwaar
tegen het zo gemakkelijk claimen van zaken als 'verlichting' en 'Zelfrealisatie'.
Het zijn statustermen geworden. De term 'verlichting' zou ik bijvoorbeeld
alleen willen gebruiken voor uiterst zeldzame gevallen (zoals Ramana
Maharshi, Nisargadatta, Dilgo Khyentse, Tulku Urgyen, enzovoort).
Waar namelijk alle klassieke teksten van de directe weg het over eens
zijn - of die nu uit de hoek van Dzogchen komen, van Zen of van Advaita
- is dat bij 'verlichting' (oftewel 'volledige Zelf-realisatie' of 'volledige
bevrijding' of 'volledig boeddhaschap') de karmische sporen zijn opgebrand.
Dat is namelijk precies waar de term 'bevrijding' op slaat: bevrijding
van de karmische sporen die ons in de vorm van 'geneigdheden' (vasana's)
doen voorthollen. Alle latente geneigdheden zijn bij een verlichte aan
hun eind gekomen.
Wie van ons kan zoiets zeggen? Jawel, we kunnen zeggen dat we ons niet
meer met de geneigdheden identificeren. Dat is zeker een stap. Vandaar
dat ik de term 'realisatie' voor een zeker gestabiliseerd-zijn hierin
best terecht vind (in Dzogchen wordt trouwens steeds gesproken in termen
van verschillende realisaties, dus van stadia.
Dat in de moderne Advaita zoiets vaak als onzin wordt bestempeld, komt
onder andere door opmerkingen van Ramana, als hij zegt dat er in realisatie
of mukti geen stadia zijn. Maar hij zegt er wel bij dat die realisatie
de staat is waarin er geen enkel verschil meer tussen de aanwezigheid
en afwezigheid van het lichaam wordt opgemerkt).
Dat gestabiliseerd-zijn is de erkenning van het einde van het zoeken.
Het is dus niet zo dat ik met het aanbrengen van verschil met de term
'verlichting' bedoel dat na die 'realisatie' een zoeken zou blijven
naar 'verlichting'. Nee, in het geheel niet. Zoeken is niet meer mogelijk,
omdat je diepgaand ziet dat je uit niets anders dan het gezochte bestaat.
Maar de functionerende gestalte blijkt nog wel degelijk te reageren
op impulsen uit een (eventueel besmet) verleden, en de ontkenning daarvan
is niet nuttig, en vaak heel pijnlijk.
In dat licht
is het interessant dat (naar ik uit zeer betrouwbare bron heb gehoord)
Papaji, degene die misschien wel meer dan wie ook verantwoordelijk is
voor de huidige explosie van 'verlichte' westerse leraren, op een vraag
wie de mensen zijn die hij als verlicht beschouwt, een lijstje met namen
overhandigde waarop niet één van zijn 'verlichte' leerlingen
voorkwam!
Gelukkig zijn er de laatste tijd tekens die erop wijzen dat er, heel
voorzichtig, een zekere erkenning komt van dit verschil tussen de staat
van realisatie en de staat van volledige verlichting, ook al worden
er andere termen voor gebruikt. Zo is bijvoorbeeld Papaji-leerling Isaac
Shapiro de laatste tijd steeds opener over de erkenning van dat verschil.
Een video van een ontmoeting tussen Isaac en Francis Lucille (in 1999
in Amsterdam) bevat aan het slot een fragment dat zeer de moeite waard
is, en dat wat mij betreft het onderwerp voor menig ander gesprek mag
zijn.
In de ontmoeting praten Isaac en Francis over het grote wonder dat bewustzijn
alles aanlevert, als een soort ontzagwekkende onthulling of openbaring
waar geen eind aan komt. Op een gegeven moment maakt Isaac de opmerking:
"Ramana zegt dat het een einde heeft", en toont daarbij duidelijk in
zijn houding dat dit element hem wel confronteert, namelijk met het
verschil tussen Ramana en zichzelf. Francis herkent het hele punt niet
en zegt dat er helemaal geen leven meer zou zijn als het een eind zou
hebben. Maar Isaac blijft wijzen op het bijzondere gegeven dat Ramana
("als een van de uiterst zeldzamen, één op een miljard")
de mogelijkheid toonde dat "er geen rimpeltje meer verschijnt", en dat
hij het gevoel heeft dat iets dergelijks ook door boeddhisten wordt
bedoeld.
Ik beaam wat
Isaac in het gesprek beoogt (en misschien al eerder beoogde, maar daar
weet ik niet van). Hij verlaat hiermee de code die bij 'het gezien hebben'
lijkt te horen, waarin wordt geseind dat dit 'gezien-hebben' voldoende
is, en waarin eventuele vergissingen of verwarring achter de coulissen
kunnen blijven.
In de fase tussen wat ik hier voor het gemak met 'de huidige realisatie'
en 'volledige verlichting' aanduid, kunnen nog steeds valkuilen voorkomen.
De erkenning daarvan vormt wat mij betreft de noodzaak om over dat deel
van gedachten te wisselen. Zonder die erkenning valt hierover inderdaad
niets uit te wisselen.
"Een jnani is geen heilige", zei Alexander altijd. Ja, inderdaad, dat
is een zeer nuttige tekst als je tegen een zoeker praat. Een zoeker
heeft er niets aan om de omweg van beoordeling-van-gedrag te bewandelen
- die weg kent hij maar al te goed. Uitsluitend de uitnodiging om nu
te herkennen wat je wezenlijke natuur is, is voor de zoeker nuttig.
Dat noem ik 'eerste niveau'. Maar voor degene die voldoende in dat niveau,
in zijn wezenlijke natuur geworteld is, werkt het idee 'heilige' niet
als een jezelf-dwingen. Elke streefbeweging is weggevallen, dus waarom
zou je het aspect 'niet-heiligzijn' nog benadrukken? Op wat ik het 'tweede
niveau' noem (het niveau waarop je vanuit je wezenlijke natuur - dus
vanuit liefde - naar je geneigdheden kunt kijken) werkt zo'n tekst alleen
maar als een verdedigingsmiddel.
Dat beschouw ik als het hete hangijzer. Volgens mij is het niet nodig
dat we de hitte ervan vrezen. Laten we het gewoon maar aanraken en erover
praten.
[Philip
Renard]
|