Moet het hangijzer nog wel heet blijven?
Philip Renard

Vrijwel iedereen die tot besef van zijn ware natuur is gekomen, is het erover eens dat er nog een periode nodig is om dat besef te integreren, om als het ware tot 'rijping' te komen nadat het echt is doorgedrongen.
Maar lang niet iedereen is het eens over de noodzaak om over dat integreren uit te wisselen. Veel mensen zeggen, of laten merken dat erover spreken niet kan: bewustzijn is immers het enige dat er is. Dus behoeft alles wat maar enigzins 'anders' lijkt dan bewustzijn geen verdere aandacht. De hele integratie, die helemaal vanzelf gaat omdat er geen 'doener' meer is, zou geen enkel commentaar vergen.

Ik vind dat jammer en onterecht.
Waarom? Omdat hierdoor allerlei elementen weggemoffeld kunnen blijven die er wel degelijk zijn, althans op het niveau van gewone menselijke verhoudingen. Voor dat wegmoffelen heeft Andrew Cohen de term 'Advaita Shuffle' bedacht, de 'Advaita-wisseltruc'. Hoewel Andrew zich wat te veel heeft vastgebeten in dat gegeven (vanuit de basisvergissing 'je bent wat je doet'), vind ik zijn term Advaita Shuffle nog steeds een heel goede aanduiding voor wat ik hier bedoel. Het duidt op het heimelijk (of onbewust) verplaatsen van een onderwerp dat als bedreigend of lastig wordt ervaren naar een niveau waar dat lastige is 'opgelost', namelijk opgelost in de substantie waar het inderdaad uit bestaat: Bewustzijn zelf, louter Kennen. Er wordt dus een wegmoffeltruc uitgehaald om niet aanspreekbaar te hoeven zijn als persoon (omdat immers de 'persoon' als onecht is doorzien). En om die aanspreekbaarheid gaat het nou juist.

Want wat is aanspreekbaarheid?
Het is het openstaan voor de realiteit van alle niveaus, hoe tijdelijk en relatief ook, en de bereidheid om je op alle niveaus af te stemmen. Het betekent ook een bereidheid om naar opmerkingen te luisteren die bijzonderheden over ons optreden bevatten die voor onszelf een blinde vlek kunnen zijn. Al heb je diepgaand gezien en 'ervaren' dat je niets anders bent dan ongedifferentieerd, homogeen Bewustzijn, in de omgang met mensen ben je nog steeds een zichtbare en zich-gedragende gestalte die zich altijd kan vergissen. En niets of niemand is erbij gebaat om een vergissing op rekening van 'Bewustzijn' te schuiven.

Padmasambhava, de achtste-eeuwse leermeester die met Dzogchen het meest wezenlijke element in het Tibetaanse Boeddhisme heeft geïntroduceerd, liet over dit onderwerp geen twijfel bestaan. In een tekst (waarin de term 'zicht' - lta-ba in het Tibetaans - duidt op het kijken vanuit de herkenning van je ware natuur) schreef hij:
"Laat het zicht niet verloren gaan in het gedrag.
Als je het zicht verloren laat gaan in het gedrag,
zul je geen enkele kans maken om bevrijd te worden.
Laat het gedrag niet verloren gaan in het zicht.
Als je het gedrag verloren laat gaan in het zicht,
zul je in donkere verwarring blijven ronddolen."
Hij schetst daarmee de twee polen van vergissingen. De eerste pool is dat je eindeloos blijft schaven aan de persoon, aan het gedrag, waardoor het zicht op de ware natuur steeds achter de horizon blijft. De tweede pool - waarvan de grote twintigste-eeuwse Dzogchen-leraar Tulku Urgyen in zijn commentaar op de tekst zegt dat die vergissing nog groter is - betekent dat je, doordat je in het zicht hebt gezien dat goed en kwaad niet bestaan, in je gedrag ook gaat doen alsof goed en kwaad niet bestaan. Tulku Urgyen benadrukt dat om die reden zicht en gedrag duidelijk onderscheiden moeten blijven. Je gedrag moet in harmonie zijn met gewone menselijke, 'wereldlijke' waarden en verschillen.
Padmasambhava zei verder: "Ook al is het zicht zo wijd als het luchtruim, je moet ervoor zorgen dat je gedrag zo fijn is als gerstemeel." Met andere woorden, zelfs iemand als Padmasambhava, die in Tibet als 'tweede Boeddha' wordt beschouwd, met zijn volledigheid van realisatie van non-dualiteit, bleef gewoon benadrukken dat elke millimeter van je gedrag de moeite waard is om aandacht aan te besteden. En dat is tot de dag van vandaag in die Tibetaanse traditie zo doorgegeven. (Misschien is het nuttig om hier op te merken dat de vorm van Tibetaans boeddhisme waar we het hier over hebben, Dzogchen, geheel is gebaseerd op onmiddellijke herkenning, zodat niet de gedachte kan postvatten dat die aandacht voor het aardse een typisch voorbeeld is van het eindeloos in voorbereidende stadia blijven hangen, zoals bij veel andere boeddhistische scholen het geval is).

Waarom breng ik dit hier in Advaita-context zo stellig naar voren, en gebruik ik er in de titel de uitdrukking 'heet hangijzer' voor? Omdat ik zelf direct heb ervaren hoe onaantastbaar (en onbespreekbaar) bepaalde gedragingen in Advaita-kringen blijven. Vooral als 'gedrag' op het gedrag van de leraar slaat, wordt een en ander heel diffuus. De kwestie is namelijk dat hier altijd macht om de hoek komt kijken. Niet macht in de zin van openlijke dwingelandij. Nee, dat zou het door de zichtbaarheid nogal makkelijk maken. Het is juist macht die via verleiding werkt, via charisma, het gebruik maken van een onzichtbare aantrekkingskracht. De leerling komt door die aantrekkingskracht in de positie dat hij heel graag iets wil ontvangen - geestelijk 'voedsel' - en door die honger wordt de eigen integriteit vaak opgeofferd.
Dat wordt veroorzaakt door het verschijnsel dat in de psychologie 'overdracht' wordt genoemd. Overdracht wil zeggen dat degenen die je als kind hebben gevoed - vader, moeder enzovoort - als psychische 'dia's' in je blijven bestaan, en dat je die dia's projecteert op iemand van wie je in het heden voedsel hoopt te krijgen (en dan nu geestelijk voedsel). Dat projecteren gaat vanzelf, helemaal onbewust. In je angst dat je geen voedsel meer zult krijgen als je eerlijk zegt dat een bepaalde gedraging je kwetst, zul je je mond houden. Alleen zo kan een machtsspel in stand blijven: dankzij de angst van de voedingsbron te worden afgesneden.

Alexander Smit, die in de tachtiger jaren mijn leraar was, zei weleens dat er drie valkuilen voor een leraar zijn: macht, sex en geld. Toen ik hem later eens zei dat hij naar mijn mening in alledrie de valkuilen was gestapt, bleek hij niet bereid om daarop in te gaan. Ondanks zijn nadruk op het belang van 'niets ontkennen' bleek hij niet open te staan voor de uitnodiging om te onderzoeken of hij zich misschien op bepaalde onderdelen vergiste.
Ik wil Alexander hier niet in een kwaad daglicht plaatsen. Ik blijf hem dankbaar voor wat hij mij heeft aangereikt wat betreft het 'zicht', en ook de vriendschap die ik met hem had blijft voelbaar in het hart.
Nogmaals, het gaat er niet om iemand aan te klagen. Iedereen maakt vergissingen - volmaakt gedrag is niet mogelijk. Daar gaat het hier niet om. Het gaat om de bereidheid erover te communiceren, de openheid om, als iemand anders er last van heeft, eigen geneigdheden onder de loep te nemen, dus ook machtsdrift, oneerlijkheid, ontrouw, hebzucht, enzovoort: alles wat een ander pijn kan doen. Het ontbreken van die bereidheid is in feite het doorgeven van onwaarheid, want datgene wat wel degelijk door iemand anders wordt gevoeld, wordt (door de ontsnapping naar het niveau van ongedifferentieerd Bewustzijn) tot iets dat door die ander betwijfeld kan worden. Dat zal zeker gebeuren als jij als 'verder' of 'hoger' wordt ervaren. Het is ondermijning van zijn vertrouwen in de eigen intuïtie, het diepste wat hij als 'persoon' kent, en dat tegelijkertijd de kiem in zich draagt van het tijdloze dat hij is. Vandaar dat het zo belangrijk is dat dit juist niet wordt ondermijnd.

Het bewuste fenomeen doet zich in versterkte mate voor naarmate meer gedacht wordt in termen als 'verlichting'. "Hij is verlicht, en ik niet" is zo'n beetje de diepste basis voor de hierboven geschetste machtsverhouding, met de erbij horende inlevering van waarheid. Om die reden maak ik bezwaar tegen het zo gemakkelijk claimen van zaken als 'verlichting' en 'Zelfrealisatie'. Het zijn statustermen geworden. De term 'verlichting' zou ik bijvoorbeeld alleen willen gebruiken voor uiterst zeldzame gevallen (zoals Ramana Maharshi, Nisargadatta, Dilgo Khyentse, Tulku Urgyen, enzovoort).
Waar namelijk alle klassieke teksten van de directe weg het over eens zijn - of die nu uit de hoek van Dzogchen komen, van Zen of van Advaita - is dat bij 'verlichting' (oftewel 'volledige Zelf-realisatie' of 'volledige bevrijding' of 'volledig boeddhaschap') de karmische sporen zijn opgebrand. Dat is namelijk precies waar de term 'bevrijding' op slaat: bevrijding van de karmische sporen die ons in de vorm van 'geneigdheden' (vasana's) doen voorthollen. Alle latente geneigdheden zijn bij een verlichte aan hun eind gekomen.
Wie van ons kan zoiets zeggen? Jawel, we kunnen zeggen dat we ons niet meer met de geneigdheden identificeren. Dat is zeker een stap. Vandaar dat ik de term 'realisatie' voor een zeker gestabiliseerd-zijn hierin best terecht vind (in Dzogchen wordt trouwens steeds gesproken in termen van verschillende realisaties, dus van stadia.
Dat in de moderne Advaita zoiets vaak als onzin wordt bestempeld, komt onder andere door opmerkingen van Ramana, als hij zegt dat er in realisatie of mukti geen stadia zijn. Maar hij zegt er wel bij dat die realisatie de staat is waarin er geen enkel verschil meer tussen de aanwezigheid en afwezigheid van het lichaam wordt opgemerkt).
Dat gestabiliseerd-zijn is de erkenning van het einde van het zoeken. Het is dus niet zo dat ik met het aanbrengen van verschil met de term 'verlichting' bedoel dat na die 'realisatie' een zoeken zou blijven naar 'verlichting'. Nee, in het geheel niet. Zoeken is niet meer mogelijk, omdat je diepgaand ziet dat je uit niets anders dan het gezochte bestaat. Maar de functionerende gestalte blijkt nog wel degelijk te reageren op impulsen uit een (eventueel besmet) verleden, en de ontkenning daarvan is niet nuttig, en vaak heel pijnlijk.

In dat licht is het interessant dat (naar ik uit zeer betrouwbare bron heb gehoord) Papaji, degene die misschien wel meer dan wie ook verantwoordelijk is voor de huidige explosie van 'verlichte' westerse leraren, op een vraag wie de mensen zijn die hij als verlicht beschouwt, een lijstje met namen overhandigde waarop niet één van zijn 'verlichte' leerlingen voorkwam!
Gelukkig zijn er de laatste tijd tekens die erop wijzen dat er, heel voorzichtig, een zekere erkenning komt van dit verschil tussen de staat van realisatie en de staat van volledige verlichting, ook al worden er andere termen voor gebruikt. Zo is bijvoorbeeld Papaji-leerling Isaac Shapiro de laatste tijd steeds opener over de erkenning van dat verschil. Een video van een ontmoeting tussen Isaac en Francis Lucille (in 1999 in Amsterdam) bevat aan het slot een fragment dat zeer de moeite waard is, en dat wat mij betreft het onderwerp voor menig ander gesprek mag zijn.
In de ontmoeting praten Isaac en Francis over het grote wonder dat bewustzijn alles aanlevert, als een soort ontzagwekkende onthulling of openbaring waar geen eind aan komt. Op een gegeven moment maakt Isaac de opmerking: "Ramana zegt dat het een einde heeft", en toont daarbij duidelijk in zijn houding dat dit element hem wel confronteert, namelijk met het verschil tussen Ramana en zichzelf. Francis herkent het hele punt niet en zegt dat er helemaal geen leven meer zou zijn als het een eind zou hebben. Maar Isaac blijft wijzen op het bijzondere gegeven dat Ramana ("als een van de uiterst zeldzamen, één op een miljard") de mogelijkheid toonde dat "er geen rimpeltje meer verschijnt", en dat hij het gevoel heeft dat iets dergelijks ook door boeddhisten wordt bedoeld.

Ik beaam wat Isaac in het gesprek beoogt (en misschien al eerder beoogde, maar daar weet ik niet van). Hij verlaat hiermee de code die bij 'het gezien hebben' lijkt te horen, waarin wordt geseind dat dit 'gezien-hebben' voldoende is, en waarin eventuele vergissingen of verwarring achter de coulissen kunnen blijven.
In de fase tussen wat ik hier voor het gemak met 'de huidige realisatie' en 'volledige verlichting' aanduid, kunnen nog steeds valkuilen voorkomen. De erkenning daarvan vormt wat mij betreft de noodzaak om over dat deel van gedachten te wisselen. Zonder die erkenning valt hierover inderdaad niets uit te wisselen.
"Een jnani is geen heilige", zei Alexander altijd. Ja, inderdaad, dat is een zeer nuttige tekst als je tegen een zoeker praat. Een zoeker heeft er niets aan om de omweg van beoordeling-van-gedrag te bewandelen - die weg kent hij maar al te goed. Uitsluitend de uitnodiging om nu te herkennen wat je wezenlijke natuur is, is voor de zoeker nuttig. Dat noem ik 'eerste niveau'. Maar voor degene die voldoende in dat niveau, in zijn wezenlijke natuur geworteld is, werkt het idee 'heilige' niet als een jezelf-dwingen. Elke streefbeweging is weggevallen, dus waarom zou je het aspect 'niet-heiligzijn' nog benadrukken? Op wat ik het 'tweede niveau' noem (het niveau waarop je vanuit je wezenlijke natuur - dus vanuit liefde - naar je geneigdheden kunt kijken) werkt zo'n tekst alleen maar als een verdedigingsmiddel.
Dat beschouw ik als het hete hangijzer. Volgens mij is het niet nodig dat we de hitte ervan vrezen. Laten we het gewoon maar aanraken en erover praten.

[Philip Renard]