absent

(uit "Jnana yoga – advait vedanta" van Wolter Keers, gepubliceerd met toestemming van uitgeverij de Driehoek )

foto van Wolter Keers (rechts) met Jan van Delden (links)

De bevrijding, de verlichting, voltrekt zich wanneer er geen identificatie meer is met lichaam, denken en voelen; wanneer iemand' begrepen heeft, dat 'de wereld' niets anders is dan een denkwijze en dat gedachten niets anders zijn dan Bewustzijn, dan de Essentie, Kennendheid, wanneer iemand wezenlijk begrepen heeft dat het denken niets kan begrijpen omdat een gedachte niets meer is dan een object, en wanneer iemand gekomen is tot het ervaren dat er niet zoiets bestaat als persoonlijkheid, dan breekt de diepe stilte door, waarin zich alle gedachten oplossen, en dus ook de wereld.

Wie met behulp van de aanwijzingen van een competente instructeur, zover gekomen is, behoeft verder niets meer te doen. In het begin kan deze stilte nog gekleurd zijn door de afwezigheid van de gedachte; het gaat er mee als met een schilderij dat jarenlang ergens aan de muur hangt; op een gegeven dag haalt de bewoner het weg, en u komt binnen. Wat ziet u? Niet in de eerste plaats de muur, maar de afwezigheid van het schilderij.

Zo ook is deze toestand van stilte; eerst werd men gehinderd door het denken, door het geleidelijk aan vager wordende gevoel dat men een denker was; dan verdwijnen gedachten en gevoelens, en nu valt hun afwezigheid op. Het accent ligt dus nog niet op de stilte, maar op de afwezigheid van de andere dingen. Maar men behoeft hier alleen nog te wachten, men behoeft zich alleen open te stellen voor het Onbekende.

Geleidelijk aan komen de symptomen van de grote harmonie. Uit het hart stijgt een diep gevoel van vrede, van warmte, een gevoel dat alles goed is. Dit gevoel dat komt en gaat, is niet het absolute, niet het Ongekende, maar het is een manifestatie, het is als de eerste stralen van de dageraad die over de horizon komen.

Daar moet men zelf de juiste instelling vinden; voor zover er nog een vaag gevoel van ik-heid, van persoonlijkheid aanwezig is, moet men dat in dit zachte gevoel laten oplossen; men moet niet zozeer er zich aan overgeven (dat klinkt nog wat te actief) maar u moet het toestaan, u te laten vullen; men moet toestaan - men moet verlangen zonder te verlangen - dat dit zachte gevoel de plaats inneemt van elk spoortje van persoonlijkheid dat er nog over mag zijn.

Men mag vooral de persoonlijkheid, de automatismen, niet toestaan, haast te hebben, te verlangen dat het nu moet gebeuren. Zolang er besef is van „nu" zit men nog in de tijd, dus in het mentale, en de realisatie kan zich nooit voltrekken in het mentale dat moet men zich steeds weer voor ogen houden. Men moet dus alleen toestaan dat het warme, zachte gevoel de laatste sporen van het persoonlijkheidsgevoel wegwast, wegblaast als een licht veertje in een nauwelijks waarneembare zucht van een stille avond.

Dan breekt de volkomen leegte aan. Over deze leegte is veel gezegd en geschreven in alle grote en levende geestelijke tradities, soms op dichterlijke wijze, soms op bijna klinisch-filosofische wijze, maar telkens keert het thema terug.

„Van de leegte van een kom hangt zijn gebruik af" zegt Lao Tze. Een volle kom kan men niet meer voor iets anders gebruiken. En zo ook wanneer denken en voelen vervuld zijn van andere dingen, kunnen ze niet meer gevuld worden door het Onbekende, door de Essentie. Daarom moet men ervoor zorgen steeds „leeg" te zijn.

In het begin lukt dat enkel tijdens korte ogenblikken (hoewel er in die toestand geen tijd bestaat, en er dus eigenlijk geen sprake kan zijn van kort of lang), maar geleidelijk aan installeert zich deze leegheid in ons, zelfs terwijl wij bezig zijn met onze dagelijkse werkzaamheden. We gaan niet meer op een probleem af met allerlei opvattingen vooraf, we vertrouwen niet meer op onze kennis en ons geheugen en onze ervaring, maar we komen leeg en naakt aan. De rest volgt dan vanzelf; tot onze verbazing aanvankelijk, blijkt de wereld dan wel voor zichzelf te zorgen: het juiste idee komt op het juiste ogenblik, en van waar weten we niet, maar daarover bestaan geen zorgen meer. Handelingen worden vaak vrijwel moeiteloos verricht, omdat er niemand meer is die ze verricht: het werk doet zichzelf, zeggen de Zen Boeddhisten.

Men kan het Grote Ervaren niet bestellen, men kan het alleen mogelijk maken, en wanneer men het mogelijk maakt, komt het uit zichzelf. „Cela vous remplit comme une grace", zegt Jean Klein: Het vult u als een genade.

Van dat ogenblik af is men het grote Ervaren. De bril van denken en voelen waar door we ons zien tot nu toe lieten beperken, is afgezet. De diepe slaap, de ogenblikken tussen de gedachten en gevoelens in, vormen nu één eenheid met de Essentie waar van de gedachten nu als het ware een verlengstuk zijn, zoals, in zekere zin, golven een verlengstuk zijn van de zee. Geen woorden zijn ook maar in de verte toereikend om een accurate beschrijving te geven van deze toestand - ook het woord toestand is in feite lachwekkend.

Wat wel gezegd mag worden, is dat dit Ervaren eindeloos bevredigend is. Dat het oeverloos vol is van eindeloze liefde, die allereerst gesymboliseerd is in de nu bereikte eenheid met de Guru: „The only thing that remains with you, even after realisation of the Self, is the Guru's teaching" - het enige dat bij je blijft, zelfs na de realisatie van het Zelf, is het onderricht van de Guru. Waarom? Deze Ervaring, dit Een-zijn is het onderricht van de Guru. De Guru is dit Een-zijn zelf. Denken en voelen van de volgelingen schiepen hem een lichaam en geest, maar van zijn eigen standpunt was hij geen persoon, had hij geen lichaam, dacht hij niet, sprak hij niet, was hij geen Guru, maar alleen dit éne, tijdloze, grensloze Een-zijn, of niet-twee-zijn: "I am no body -I have no body. I am no mind - I have no mind. I am no doer, I am no enjoyer. I am pure consciousness which knows no dissolution." (Shri Krishna Menon)

Met het „veroverd worden" door de Ervaring, wordt het laatste restje persoonlijkheid opgelost door het onderricht van de Guru, die niets anders is dan dit Ervaren, en de liefde zelf. Op dat ogenblik is de eenheid tussen discipel en meester bereikt, en daarmee de vervulling van alle liefde. Want geen relatie bestaat, vergelijkbaar met die van leerling en meester. De liefde van een moeder voor haar kind kan niet zo groot zijn als de liefde van de Guru voor zijn leerling (of, in de woorden van Shri Krishna Menon: voor degene die hij toestaat, hem als een Guru te beschouwen).

Het is een van de ontroerendste ervaringen die men op zijn pad kan hebben, wanneer men plotseling als door de ogen van de Guru te zien krijgt, wie men eigenlijk is. In plaats van de onwetende, de onbekwame, de imbeciel die men zich waande in de tegenwoordigheid van Een, die men intuïtief en steeds sterker wist groter te zijn dan de allergrootsten... in plaats van een zwakke, een domme en een onwaardige te zien, blijkt plotseling in deze openbaring dat de meester u gezien heeft als het licht zelf, als de liefde zelf en als oneindig goed. Hij zag u niet in de termen van zijn persoonlijkheid, want die bestond slechts in uw verbeelding, hij zag u als men dit zo mag zeggen, in de termen van de liefde zelf, die hij was en is en altijd zal zijn.

Niemand realiseert het Zelf zonder tranen, niet omdat de weg smartelijk zou zijn, maar omdat de liefde van de Guru, en de liefde, dezelfde liefde die hij in u opwekt, zo onbegrijpelijk zijn, en daarbij zo volmaakt onverdiend. „Cela vous remplit comme une grace"... zo is het helemaal.

Toen een van onze medeleerlingen de Guru eens vroeg: „Hoe kan ik u ooit waardig worden?" was het ogenblikkelijke antwoord: „By your death", door te sterven -natuurlijk niet als lichaam, maar als ego, als persoonlijkheid. Denken en voelen kunnen het Oneindige nooit bevatten; daarom moeten zij verdwijnen, daarom moeten persoonlijkheid en ik-gevoel verdwijnen, sterven, opgelost worden in de stille harmonie die opstijgt in de leegte van de geest.

[Wolter Keers]