Wie ben ik? Wie wordt er verlicht?
Justus Kramer Schipper

Voor de analitici onder ons duikt Justus Kramer Schippers in de ontrafeling van het verzonnen ik.

De oorspronkelijke vraag staat in 'Vingerwijzingen', de compacte weergave van de leer van Sri Nisargadatta Maharaj van de hand van Ramesh S. Balsekar. Hij luidt: 'Wie ben je dan?' Nisargadatta antwoordt dat je bent wat je ook was voordat dit lichaam met bewustzijn tot leven kwam, wat je honderd jaar geleden was en wat je over honderd jaar nog bent. De uitspraak lijkt een innerlijke tegenstrijdigheid te bevatten; immers, hoe kun jij er zijn voor of nadat jij er was? Natuurlijk is dat niet wat Nisargadatta Maharaj in gedachten had toen die vraag aan de orde kwam. In feite is de vraag een uitnodiging om op onderzoek te gaan naar wie of wat je in wezen bent, zonder er voetstoots vanuit te gaan dat er een antwoord mogelijk is. Om dat meteen maar duidelijk te stellen: op die vraag is geen antwoord te geven en dat is ook niet de bedoeling. Ook hier is de reis belangrijker dan het doel.

Graag nodig ik u uit om een dergelijke onderzoekingstocht uit te voeren. Laten we beginnen met het meest voor de hand liggende: ons lichaam. Zijn wij ons lichaam? Nee toch zeker? Al onze lichaamscellen worden met een grote regelmaat vervangen en het lichaam van vandaag is zeker niet het lichaam van gisteren of eergisteren, of van morgen en overmorgen. Mochten we denken dat we ons lichaam zijn, dan zou mijn vraag luiden: maar welk lichaam dan? Als ik het lichaam van gisteren zou zijn, betekent dit dat ik vandaag niet zou bestaan. Dat is in strijd met mijn ervaring. Gisteren wist ik dat ik bestond en vandaag besta ik nog steeds. Dat wat mij de overtuiging geeft dat ik besta, is onveranderd aanwezig en is zeker niet mijn lichaam.

Wat ben ik dan wel? Mijn geest misschien? Laten we gemakshalve aannemen dat mijn geest bestaat uit mijn denkvermogen, mijn ervaringen, geheugen, overtuigingen, voor- en afkeuren. Laten we dat als verzameling maar het ego noemen. Of dat wetenschappelijk gezien de juiste benaming is doet minder terzake nu de lezer zich in elk geval een beeld kan vormen van wat ik ermee bedoel. Dus zijn wij ons ego? Stel dat ik u zou vragen te omschrijven wie u was toen u zeven jaar was. Er zou een beschrijving komen van een kind met bepaalde eigenschappen, met bepaalde kennis en een aantal overtuigingen dat in veel opzichten een getrouwe weergave van de overtuigingen van de ouders blijkt te zijn. Als ik u nu dezelfde vraag zou stellen, maar dan toen u zeventien jaar was, wat voor beschrijving krijgen we dan? Vermoedelijk zijn de overtuigingen honderdtachtig graden gedraaid (als u net zo'n lastige puber was als de schrijver). En als ik weer dezelfde vraag stel, maar nu te beantwoorden vanuit uw huidige levensfase? In de beschrijving zal weer een totaal ander persoon ontstaan.

Mijn volgende vraag is : wie bent u? Bent u het kind, de tegendraadse puber of de volwassene? Waar we tot nu toe over hebben gesproken, zijn allemaal veranderlijke zaken. Ik kan niet tegelijk, kind, puber en volwassene zijn. Volgens mij ben ik dus geen van drieën. Immers, zolang ik leef, heb ik een soort onveranderlijk en standvastig ik-besef. Maar wat is dat? Het is tijdloos, het was er zolang ik leef en zal er zijn zolang mijn lichaam leeft. Er is daarin geen verschil tussen gisteren, vandaag en morgen. Dat onveranderlijk aanwezige is wat Nisargadatta het 'Ik-Ben' noemt. Het is het 'zijn', gekoppeld aan een weten dat je bestaat. Het is dus 'bewust'-zijn. Het is het punt vanwaaruit de wereld wordt waargenomen, vanaf het moment waarop je wakker bent. Het is het gewaarzijn dat ook gedachten waarneemt terwijl het er niet bij betrokken is. Dat is zintuiglijk ervaren, waarnemen, zonder waarnemer, zonder een 'ik', zoals wanneer u luistert naar en opgaat in muziek: dan is er ook geen 'ik'. Dat schijnbare 'ik' komt pas wanneer er gedacht wordt over de ervaring. Bijvoorbeeld: 'Ik vind dit mooie muziek'. Maar op dat moment wordt niet meer naar de muziek geluisterd. Het is het één (luisteren zonder ik) of het ander (denken over de muziek door het schijnbare ik). Waarnemen is dus een zintuiglijk proces zonder een 'ik'; denken over waarnemingen met het geheugen creëert een schijnbaar 'ik'. Maar dat pseudo-'ik' is aan verandering onderhevig: ervaringen en overtuigingen veranderen, het geheugen is selectief en informatie wordt daarin vervormd of totaal vergeten. Dat pseudo-ik is dus in tegenstelling tot de 'Ik-Ben'-ervaring niet standvastig en dat 'ik' zijn we dus niet, al lijken we het soms te zijn.

Als we nu onderzoeken wat dit 'Ik-Ben' is, zullen we tot de slotsom komen dat het feitelijk het onpersoonlijke bewuste vermogen tot waarnemen is. Dit Ik-Ben neemt dus objecten waar en is zich daarvan bewust. Wat zich moeiteloos bewust is, is het 'IK' en wat de moeiteloze waarneming doet is het 'BEN'. Dit moeiteloos waarnemen van objecten is een kwaliteit en vermogen wat in elk mens aanwezig is. Dat vermogen delen we met elkaar. In dit verband is het nuttig te weten dat je lichaam en je ego (de som van gedachten, herinneringen, verwachtingen, overtuigingen etc.) objecten zijn, want ze worden waargenomen. Hieruit volgt ook dat we onmogelijk ons lichaam of ego kunnen zijn omdat we niet kunnen volhouden dat hetgeen waarneemt, ook het waargenomene is. Subject kan niet ook object zijn. Wij zijn dus het bewuste waarnemen en niet de waargenomen objecten. Wat dat waarnemen is, hoe het ontstaat en functioneert kunnen we onmogelijk waarnemen. Immers, dat zou hetzelfde zijn als proberen zonder spiegel je eigen oog te zien. Wij zijn dus het waarnemen of liever gezegd datgene wat dat waarnemen mogelijk maakt en moeiteloos tot stand komt, maar we kunnen onmogelijk weten wat dat is. In wezen kun je alleen uitdrukken wat het niet is, waarmee dan ook duidelijk is waarom in Advaita zo vaak in negatieven wordt gesproken (niet dit, niet dat, noch niet-dit, noch niet-dat). Alles wat waarneembaar is zijn we niet. Wat we werkelijk zijn, daar kunnen we ons dus niet van bewust zijn.

Het waarnemen van objecten en het zich van dit waarnemen bewust zijn, is minder bestendig dan we op het eerste gezicht denken. Tijdens de diepe slaap, in coma, voor onze geboorte en na de dood verdwijnt ook die ervaring. Daarmee is vastgesteld dat er sprake is van een polariteit, waarvan de twee wederzijds van elkaar afhankelijke polen zijn: 'bewust' zijn van waarnemen en het 'onbewust' zijn daarvan. Voor deze twee polen komen we veel verschillende benamingen tegen. Om met het onbewuste te beginnen: het wordt ook aangeduid als het noumenon, het ongemanifesteerde, potentiŽle energie, het absolute, subjectiviteit, bewustzijn in staat van rust. Het is ook een staat van vrede waarin niets te wensen valt, zoals we allemaal weten wanneer we diep hebben geslapen. Het is dus niet iets, maar evenmin niets, want omdat we 'weet' hebben van die staat van rust, vrede en geluk, moet het waarneembaar zijn, hoe subtiel ook. Hier belanden we bij een van de vele paradoxen in Advaita: wat we zijn kunnen we niet kennen, want subject kan object beschouwen, maar niet andersom. We zijn subject en kunnen dus alles kennen behalve onszelf, het subject, en toch kennen we de staat van absolute rust en vrede. Op dit punt stopt alle denken en voorbij dat punt ligt de waarheid, waarvoor woorden ontbreken.

Het waarnemen van objecten en het zich van dit waarnemen bewust zijn, is minder bestendig dan we op het eerste gezicht denken. Tijdens de diepe slaap, in coma, voor onze geboorte en na de dood verdwijnt ook die ervaring. Daarmee is vastgesteld dat er sprake is van een polariteit, waarvan de twee wederzijds van elkaar afhankelijke polen zijn: 'bewust' zijn van waarnemen en het 'onbewust' zijn daarvan.
Voor deze twee polen komen we veel verschillende benamingen tegen. Om met het onbewuste te beginnen: het wordt ook aangeduid als: het noumenon, het ongemanifesteerde, potentiŽle energie, het absolute, subjectiviteit, bewustzijn in staat van rust. Het is ook een staat van vrede waarin niets te wensen valt, zoals we allemaal weten wanneer we diep hebben geslapen. Het is dus niet iets, maar evenmin niets, want omdat we 'weet' hebben van die staat van rust, vrede en geluk, moet het waarneembaar zijn, hoe subtiel ook. Hier belanden we bij een van de vele paradoxen in Advaita: wat we zijn kunnen we niet kennen, want subject kan object beschouwen, maar niet andersom. We zijn subject en kunnen dus alles kennen behalve onszelf, het subject, en toch kennen we de staat van absolute rust en vrede. Op dit punt stopt alle denken en voorbij dat punt ligt de waarheid, waarvoor woorden ontbreken. Het bewuste wordt ook wel benoemd als: wereld der verschijnselen, fenomenaliteit, het gemanifesteerde, het relatieve, wereld der objecten, bewustzijn in beweging. Alles wat waargenomen kan worden door het subject: objecten. Dus ook gedachten, ideeën en gevoelens zijn objecten. Tegenpolen kunnen nooit zelfstandig bestaan, zijn altijd onderling afhankelijk en worden met elkaar verbonden door een substraat waarin beide opgaan en tot neutraliteit komen. Als vergelijk dient de accu met zijn twee polen, die beide ondergedompeld zijn in de accuvloeistof, waardoor het samenstel der delen in zijn geheel als accu kan worden aangeduid. Het 'bewust'-zijn van waarnemen en het 'onbewust'-zijn van waarnemen bevinden zich in 'iets', dat beide (bewust waarnemen en onbewust waarnemen) omvat en overstijgt. Dat 'iets' zullen we nu aanduiden met de term Bewustzijn en omvat alles waar we ons be- en onbewust van zijn, die als drager voor beide polen noodzakelijk is om die te kunnen laten bestaan. Dat Bewustzijn omvat alles en projecteert in zichzelf pool en tegenpool, dat uit niets anders bestaat dan dat Bewustzijn. Bewustzijn is alles wat er bestaat, daarbuiten bestaat niets en wezenlijk zijn we dus dat Bewustzijn dat we niet kunnen kennen.

Wij hebben nu de reis vanuit het persoonlijke, relatieve en gemanifesteerde ondernomen richting het absolute en onpersoonlijke. Wij zouden de reis ook andersom kunnen ondernemen. Uitgaande van Bewustzijn, dat bestaat uit twee polen: de absolute pool (onbewuste, ongemanifesteerde, onpersoonlijke, potentiële energie) en de relatieve pool (Ik-Ben-ervaring, zintuiglijke waarneming, wereld der objecten, gemanifesteerde energie). In Bewustzijn vindt een beweging plaats (naar de oorzaak kunnen we alleen raden), waardoor potentiële energie zich manifesteert als de Ik-Ben ervaring, waarmee tegelijkertijd de wereld van objecten verschijnt. In die wereld identificeren wij ons met een lichaam en ego, die wij het onze noemen.
Terugkomend op de vraag 'Wie ben ik?' moeten we vaststellen dat we – als het waarnemen afhankelijk is en geēnitieerd is door Bewustzijn – feitelijk Bewustzijn zijn. Nogmaals: dat Bewustzijn kan nooit gekend worden. Hiermee is ook duidelijk waarom nooit te beschrijven is wat of wie we zijn noch een antwoord op de oorspronkelijke vraag mogelijk is. En waar we al analyserend scheidslijnen hebben aangebracht – persoonlijk/onpersoonlijk, bewust/onbewust, object/waarnemer van object – moeten we bedenken dat die scheidslijnen denkbeeldig zijn. Tezamen is het één onlosmakelijk geheel. En dat is wat (en dus niet wie) we uiteindelijk zijn: een onpersoonlijk proces dat in en door bewustzijn in zichzelf zichtbaar wordt gemaakt in het hier en nu. Dat bewustzijn is tijd- en ruimteloos, zal nooit sterven, is nooit geboren en niet te kennen. De beschrijving die het dichtst in de buurt komt is: vrede en staat van wensloosheid. Maar pas op: zodra er een beschrijving is, wordt het tot object gemaakt en dat is het nu juist niet. Buiten dat bewustzijn bestaat niets. All there is, is Consciousness, wat niets is en toch iets, waarin alles verschijnt en verdwijnt. Dat is de opperste neutraliteit, omdat daarin alle tegenstellingen zijn opgelost en elke kracht zijn neutraliserende tegenkracht doet verschijnen.

Als we over verlichting praten, bedoelen we meestal dat een ik op zoek gaat naar zijn ware aard, om er tenslotte achter te komen dat het schijnbare ik niet werkelijk bestaat. Iets wat niet bestaat kan dus ook niet verlicht worden. Als de zoektocht wordt ondernomen, komt men erachter dat wat men zoekt (zijn ware aard) er nooit níet was. In zekere zin zou je dus kunnen zeggen dat iedereen al verlicht is, zij het dat we door het ontstaan van het schijnbare ik en onze identificatie daarmee vergeten zijn wat onze ware aard is: Bewustzijn, waarbuiten niets bestaat.

Justus Kramer Schippers
Juni 2001, Costa Rica