Kennen kunnen kennen
Wolter A.Keers

Als we nagaan wat er allemaal aan bod is gekomen tijdens onze bijeenkomsten van dit afgelopen werkjaar, kunnen we dat in één zin samenvatten: ons is op tal van manieren aangetoond dat gebondenheid een illusie is.
Wanneer we beginnen met onze zwerftocht op zoek naar liefde, vrijheid, geluk, of hoe we ons doel ook mogen noemen, vragen we ons zelden af wie nu eigenlijk op zoek gaat. We zetten vraagtekens bij allerlei gedachten en gevoelens die in ons opkomen, maar een paar fundamentele dingen lijken ons zo vanzelfsprekend en zijn zozeer gemeengoed in onze westelijke cultuur, dat het niet of nauwelijks in ons opkomt om ook daar vraagtekens bij te zetten.

Wat we ook zijn - dat we onszelf niet door en door kennen geven we grif toe - we zullen er nooit aan twijfelen dat we ooit geboren zijn, dat we een bepaalde rol spelen in de maatschappij, én dat we ooit weer van deze aardbodem zullen verdwijnen. Bijna iedereen die aan de speurtocht toekomt, begint in de overtuiging dat hij een lichaam is, plus een geest, plus misschien een 'ziel', wat dat laatste ook mag zijn. Op die overtuiging - op dit diepe gevoel van: 'ik ben een lichaam plus dit-en-dit' - baseren we ons leven.
Tegelijk zijn we ontevreden; we zijn maar zelden echt gelukkig en als we het zijn, duurt het meestal maar kort. We kennen momenten - bijvoorbeeld wanneer we ver-liefd zijn (wat letterlijk betekent: weg zijn van de liefde) - van zoiets als een kosmische weidsheid. Maar veelvuldiger zijn de uren en dagen waarin we een vage nostalgie voelen naar dit helemaal-en-onbeperkt-mezelf-zijn dat liefde of geluk heet.

Zelden leggen we verband tussen onze fundamentele overtuiging dat we een lichaam-plus zijn en het verlangen naar het 'verloren paradijs'. Tijdens onze zwerftocht door yoga-advaita worden langzaam maar zeker alle poten onder onze stoel weggezaagd. Ons wordt duidelijk gemaakt dat we niet een bepaald lichaam zijn: niet het lichaam in de waaktoestand, noch dat van droomtoestand. Evenmin zijn we een persoonlijkheid, die niets anders is dan een voorstelling die we op een bepaald moment van onszelf maken. Aangetoond wordt dat wij geen wezens zijn die gebonden of beperkt worden door tijd, ruimte en oorzakelijkheid: die blijken niets anders te zijn dan een manier van denken. Ook dat bijvoorbeeld de tijd een manier van kijken is in ons, in plaats van omgekeerd: dat wij een verschijnsel in de tijd zouden zijn.

En zo, na tal van argumenten te hebben geverifieerd, kunnen we niet anders dan tot de conclusie komen dat alles wat we kennen en kunnen kennen, verschijnt in het bewustzijn dat we zijn (niet hebben). Zintuiglijke gewaarwordingen (die we 'de wereld' noemen), inclusief het lichaam, bestaan voor ieder van ons pas wanneer ze in het bewustzijn verschijnen, en dat is alles wat wie dan ook, waar dan ook en wanneer dan ook ooit kan kennen. Datzelfde geldt voor wat we gedachten en gevoelens, en een waaktoestand of een droom noemen. Alles wat we kennen is wat door ons wordt waargenomen wanneer het in het bewustzijn is verschenen. We kunnen zeggen dat we alleen bewegingen in het bewustzijn kennen. Daarbij worden we geconfronteerd met het simpele feit dat wij er eerst moeten zijn, als bewustzijn, als helderheid, wil een beweging in ons plaats kunnen vinden. Bij het onderzoek naar dat gegeven wordt het steeds duidelijker dat wij het bewuste element in elke beweging zijn, de lichtstraal in elke gedachte, in elk gevoel, in elke zintuiglijke gewaarwording - kortom de betekenis van de uitspraak 'Ik ben het licht der wereld' wordt opeens duidelijk. Dat geldt voor ieder wezen, niet alleen voor degene die deze waarheid verwoordt. Zodra het tot ons doordringt dat wij dus de grondstof zijn waaruit elke 'beweging' bestaat, daagt plotseling ook het inzicht dat wat wij de wereld noemen dus voor zijn verschijnen afhankelijk is van ons als Heldere Tegenwoordigheid, zoals golven pas kunnen verrijzen als er een zee is, en de wind pas kan waaien als er lucht is.

Maar als het echt waar is dat alle dingen voor hun bestaan zelf afhankelijk zijn van ons, volgt daaruit : Niets kan ons binden. Als er aan de 'buitenkant' - aan de kant van de dingen die worden waargenomen - niets is wat mij kan binden, is er dan misschien aan de 'binnenkant', aan de kant van de waarnemer een gebonden 'ik' dat ons tiranniseert? Het is immers voor zo'n 'ik' dat we het geluk zoeken, of liefde, of vrijheid! Bij ons onderzoek wordt het steeds duidelijker dat alles wat we voor 'ik' hebben aangezien niets meer en niets minder is dan een steeds andere voorstelling. Als we spreken van een tiranniek, een gebonden of een bang 'ik', zijn dat drie verschillende voorstellingen, en elke keer klimmen we in zo'n voorstelling en beleven die als wat we zijn. Maar scherp kijken laat ons duidelijk zien dat we niet een voorstelling kunnen zijn, die maar af en toe eens verschijnt. En dat we niet een reflex kunnen zijn die maar af en toe optreedt (zoals na afloop van een gedachte of een beweging van het lichaam, wanneer we automatisch beweren dat er een 'ik' is dat die gedachte dacht of die beweging uitvoerde. Wie ziet dat zo'n 'ik' op zich een soort gedachte is, heeft er geen moeite meer mee om te begrijpen dat gedachte nummer twee nooit gedachte nummer één kan hebben gedacht; dat gedachte twee in feite pas kon verschijnen toen gedachte een al nergens meer te bekennen was..

Zo wordt het steeds duidelijker dat alle verschijnselen, voorstellingen, of reflexen die we 'ik' genoemd hebben, in feite, net als stoelen en tafels, dingen zijn die door ons worden waargenomen. Zulke 'ikken' zijn niets anders dan gefantaseerde voorstellingen - een voortborduren op wat onze opvoeders ons ooit hebben verteld toen ze zeiden dat we een jongetje of meisje waren, zoet of stout, slim of dom, enzovoort. Maar: een voorstelling is een ding, een beweging in het bewustzijn, en een ding is niet vrij en niet gebonden; vrijheid en gebondenheid zijn niet van toepassing op dingen, maar op omstandigheden. Een stoel is niet vrij wanneer hij in het bos gezet wordt en gebonden wanneer hij in het berghok staat.

De voorstelling die we op een bepaald ogenblik 'ik' noemen is ook niet vrij of gebonden: hij leeft enkele tellen en is dan weer verdwenen. De telefoon hoeft maar te rinkelen en elke ik-voorstelling is verdwenen. Wat blijft er dan over van gebondenheid ? Alleen de voorstelling van een 'ik' in bepaalde omstandigheden. Alleen als we een schilderijtje maken van een 'ik met handboeien aan', is er gebondenheid - maar uitsluitend op het schilderijtje. Want in werkelijkheid zijn we geen voorstelling - en elk 'gebonden' ik is een voorstelling. Met andere woorden: ons enige probleem is ons geloof in de voorstelling van een gebonden 'ik'. 'Waarlijk, de mens is wat hij denkt', zegt de oude goeroe Ashtavakra. 'Als hij denkt dat hij gebonden is, beleeft hij zichzelf als gebonden; als hij denkt dat hij vrij is, beleeft hij zichzelf als vrij.' Wie ziet dat letterlijk alles 'aan de buitenkant en aan de binnenkant' (om met Lin Tsi te spreken) van ons als Bewust Tegenwoordig-zijn afhankelijk is, kan de onthulling niet ontlopen die als door een bliksemslag alles doorklieft: dat er nergens, behalve in de fantasie, plaats is voor gebondenheid - dat wij de vrijheid zelf zijn, zelfs wanneer wij geloven in een gefantaseerde gebondenheid. Wij zijn de vrijheid, of wij het weten of niet, of wij het willen of niet - er valt niets aan te veranderen.

Daarom valt er niets te vinden en niets te bereiken. Aan het eind van het pad ontdekken we dat er geen pad hoefde -, of zelfs maar kon worden afgelegd. De bril die we zochten stond van meet af aan op onze neus, het kralensnoer dat we kwijt waanden, hing doorlopend om onze eigen hals.

(uit ‘Yoga Advaita’ juni 1978, met toestemming van uitgeverij De Driehoek)