De mens:
een wonderbaarlijk evenwichtsorgaan
op de grens tussen Niets en Alles
uit: De ingewijden van Hella Haase

Aan de hand van zes hoofdpersonen wordt een verhaal verteld over onvermijdelijke confrontaties met de zin van het bestaan.
De draad van het verhaal wordt in zes hoofdstukken, via telkens weer een andere hoofdpersoon belicht en doorverteld. Zo zie je de waarheid steeds veranderen en aannemelijk worden gemaakt. Maar ook zie je hoe vloeibaar en rekbaar de dualistische waarheid is.
Het motto van het boek is al een mooie inwijding tot het boek:
Gelukkig hij die ingewijd is voor hij onder de aarde gaat,
want hij kent het einde van het leven
en het door Zeus gezonden begin.
[Pindarus]


[...] 'Dit kan niet,' zei hij plotseling. 'Dit kan gewoon niet bestaan.'
'Wat?'
'Nou alles. De hele situatie. Dit huis, en u. Jij, bedoel ik.'
'Waarom kan het niet bestaan?'
'Ik weet het niet. Zulke dingen gebeuren eenvoudig niet.'
'O daar moet je van afstappen. We zouden wel willen dat alles vanuit onszelf zogenaamd redelijk en logisch verklaarbaar was. Het is heel goed dat we er zo nu en dan aan herinnerd worden dat wij ook onderdeel zijn van een patroon.'
'Maar ik kan toch de dingen alleen maar zien vanuit mezelf?'
'Ik geloof dat er soms ogenbikken zijn, dat zijn dan misschien die vreemde toestanden waar je gewone verstand zich tegen verzet, dat je je bewust wordt van laat ik maar zeggen, een ‡nder verband. Bewust worden is te sterk uitgedrukt. Je doorziet het niet. je begrijpt het niet. Iets in je, dat diep zit, buiten het bereik van je denkende en handelende 'ik', voelt het alleen. Als je weven kon, zou je begrijpen wat ik probeer te zeggen. De onderkant, waar alle draden door elkaar heen en om elkaar gedraaid zijn, is niet minder werkelijk dan de kant die we gewoonlijk de 'de goede' noemen, met figuren netjes steek naast steek, kleur naast kleur... Soms krijgen wij ineens als het ware een glimp te zien van de achterkant van ...ach...' zij schudde haar hoofd en sloeg zichzelf zachtjes op de wang.
'Wat is er, waarom doe je dat?' vroeg Marten.
'Gisteren heb ik tegen je gezegd dat ik iemand was die probeerde mens te worden. En ik heb jou uitgedaagd door je voor je voeten te gooien dat jij dat niét durfde. Weet je nog? Maar ik heb je niet kunnen vertellen wat dat is, een mens. Dat laat me niet met rust. Het heeft geen zin dat ik praat over de moed om vol te houden en de wil om mens te zijn, wanneer ik je niet eens antwoord kan geven op de vraag wat ik met 'mens' bedoel. Ik weet niet of ik je dat nu duidelijk kan maken. Maar ik zal je geven, wat in mijn vermogen ligt. Ik denk wel eens dat de mens een wonderbaarlijk evenwichtsorgaan is, op de grens tussen Niets en Alles, chaos en kosmos. Ons hele bestaan op aarde, als soort én als individu, is één lang gevecht om het midden te houden tussen blinde dierlijkheid en een even absolute overgave aan wat wij, met behulp van ons bedrieglijke intellect en onze bedrieglijke emotie, geloofwaardig noemen... Een mens zijn, dat is voor mij: altijd, overal, met inspanning van alle krachten en nooit verslappende waakzaamheid, gericht zijn op die balans. Een mens zijn: een orgaan in het helaal dat dankzij aangeboren eigenschappen van rede en intu•tie evenwicht bewaren kan... daarvoor is het geschapen. En alles wat ons overkomt in ons leven, dag en nacht, zonder ophouden, van binnen uit en van buiten af, is een oproep om te functioneren...'
Begrijp ik wat zij bedoelt? dacht Marten. Soms meende hij van wel, dan weer wist hij zeker van niet. [...]

[uit: De ingewijden van Hella Haasse. uitgeverij Querido. 1957]

[selectie: Kees Schreuders]