| Onverschilligheid. Niet-handelen
Wolter Keers
Vraag:Als men zo begint te denken, is er dan
geen groot gevaar om tot onverschilligheid te komen?
W.K : Nee. Onverschilligheid is een vorm van afweer.
Als ik onverschillig ben dan hoef ik me niet met jou te bemoeien,
dan zeg ik “Zoek het zelf maar uit!”. Onverschilligheid
is een soort muur die ik om mij heen optrek. In feite is het niet
goed durven te kijken. Maar iemand die begrepen heeft dat geluk
niet in dingen zit, jaagt deze dingen ook niet meer na. Daar treedt
dan inderdaad een zekere onverschilligheid op. Maar dit wordt honderdvoudig
gecompenseerd, doordat men dichter gekomen is bij de bron van de
werkelijke dingen. Want, wat is tenslotte de juiste inspiratie
voor een relatie tussen ons? Dat is de liefde zelf. Wanneer ik
de liefde zelf ben, dan heb ik niets meer aan jou te verdienen;
dan hoef ik ook niet door jou aardig gevonden te worden, om toch
van je te houden. De liefde zelf is de kracht die het lichaam en
het denken en voelen de juiste dingen laat doen. De dingen gaan
zichzelf doen, in harmonie met de Harmonie die ik ben. Zodra ik
dat dus ontdek, dan is alles wat passiviteit en luiheid is verdwenen.
Dan mag het onverschillig lijken wanneer ik mij niet inzet om bijvoorbeeld
een nieuwe auto te kopen. Maar in werkelijkheid is die onverschilligheid
er alleen maar aan de oppervlakte. Het is een verschil in waardebepaling.
Ik weet nu dat de werkelijke waarde ergens anders ligt. En ik heb
ontdekt dat ik niet van iemand houd vanwege zijn mooie haren, maar
vanwege de liefde in die persoon, die in feite één
is met de liefde in mij. Er zijn niet twee liefdes. Er is één
liefde waarin zich ogenschijnlijk personen manifesteren.
Dus is die onverschilligheid, voor zover als die er is, er alleen aan de oppervlakte,
van binnenuit gefundeerd door een diepe zelfherkenning. Net zoals die luiheid
ook maar ogenschijnlijk is. Luiheid is iets van het lichaam. Het lichaam op
zichzelf is een loom en log ding, vlees en botten. Maar gezien als, laat ik
zeggen, verlengstuk van het Bewuste, wordt het leven een dans, zelfs al zit
men in een stoel. Er is van zwaarte, van loomheid, van logheid, enz. niets
meer over.
Nee, er is geen onverschilligheid. Maar wanneer ik nog de dingen in de wereld
zoek, en een ander doet dat niet, dan kan ik wel denken natuurlijk dat die
ander onverschillig is.
Het kan ook zijn dat we in bepaalde gevallen minder onder de indruk zijn door
het lijden van iemand. Dit kan het geval zijn, wanneer we zien dat het lijden
iets is dat de mens zelf voedt. Dat is niet altijd zo: als er een windhoos
komt die je huis laat instorten en je verliest je man en je kinderen, dat is
iets anders. Maar dikwijls is het lijden van de mensheid voor een groot deel
lijden dat die mensheid zelf voedt en zelf ook zoekt. Er zijn maar weinig mensen
die er werkelijk uit willen komen, heel weinig! Daarom moet men zich niet laten
intimideren. Het criterium is altijd: wat doet die mens met dat lijden? Wil
hij er echt uit of zoekt hij bijvoorbeeld medelijden? Dan zoekt hij dus compensatie.
Wel, ga daar niet op in, want anders sterk je hem alleen maar in zijn lijden.
Maar, voor wie werkelijk je hulp vraagt eruit te komen, is dit een andere kwestie;
daar kan inderdaad medelijden zijn, omdat je begint bij het punt waar die andere
zich bevindt. En van dat medelijden uit laat je hem geleidelijk zien wie hij
is. Het lijden is altijd op het niveau van de persoonlijkheid. Wanneer de persoonlijkheid
verdwijnt, verdwijnt ook het lijden.
Voor lijden hebben we altijd de wereld nodig. Je lijdt altijd onder iets, onder
het verlies van iemand of van iets, of uit angst ergens voor. Maar altijd is
het in verband met iets uit de wereld. Daarom is een mogelijkheid om werkelijk
uit het lijden te komen te zien wat die wereld is. Niet in de termen van een
ander stukje wereld, nee, maar in de termen van de Werkelijkheid. Zien dat
de wereld niets anders is dan een weerspiegeling van mijzelf. Dan verliest
het lijden zijn zin. Want het lijden kan een manier zijn om de persoonlijkheid
in stand te houden. Er zijn mensen die veel liever door blijven lijden dan
in een onbekende situatie terecht te komen.
Vraag: Als je het leven zo bekijkt, welke
zin heeft dan ons handelen? Heeft het dan nog enige zin om actief
te zijn?
W.K.: De vraag doet zich niet voor in de praktijk
en de vraag doet zich ook niet voor bij, laat ik maar zeggen, de
filosofische kant. Het is een vraag die even in ons opkomt, wanneer
we denken: ‘O hemel, wat moet er nu?‘ De herkenning
van het Ik betekent het herkennen van die Ene Essentie waarin zich
het handelen manifesteert. Want wie handelt, wie doet, wie denkt?
Het lichaam handelt, het lichaam loopt, zwemt, fietst, zit, staat;
de zintuigen functioneren; het denken en voelen, daar zit beweging
in. Het feit alleen al dat ik dit kan constateren, dat ik dit kan
zien, betekent dat ik buiten die beweging sta en dat ik niet diegene
ben die denkt of voelt of handelt. Ik ben er steeds de Kenner van,
anders zou ik die dingen niet in mijn herinnering kunnen oproepen.
Het gaat er dus niet om of ik dan nog wel actief zal zijn. Het gaat erom
te herkennen dat ik nooit actief geweest ben. Het lichaam, de zintuigen,
denken en voelen waren actief, maar Ik niet .
Een zin die steeds weer terug komt in de shastras, in de klassieke hindoeliteratuur,
is de zin: “I am not the doer; I am not the enjoyer” (ik ben niet
de ‘doener’, ik ben niet de genieter). Ik ben niet degene die handelend
optreedt, die actief of die passief is. Actief en passief zijn denkwijzen.
Het ‘niet-handelen’ waar vooral de Chinezen steeds op terugkeren
(“wu-wei”) is het tegengestelde van lui zijn. Lui kun je zijn als
je je identificeert met een log, zwaar lichaam, dat bijvoorbeeld moe is. Maar ‘niet-handelen’ is
niet geïdentificeerd met alles wat doet, wat actief is, en wat dus objectief
is. Laat de dingen zichzelf doen, laat de dingen spontaan zichzelf doen.
Ook al hebben we het steeds zo geleerd dat het ik was die handelde en dacht
en voelde - nu, in het juiste perspectief, zie ik: het was niet ik die wandelde,
het was het lichaam dat wandelde. Het was niet ik die dacht, maar de gedachten
manifesteerden zich.
Na afloop van een gedachte zeg ik wel: ik heb gedacht. Maar terwijl die gedachte
er was, terwijl ze zich manifesteerde was er geen enkel idee dat ik het was
die deze gedachte produceerde, of dat ik een gedachte aan het denken was. Pas
na afloop, door een aangekweekt automatisme, is er een principe dat de auteursrechten
opeist voor wat er gebeurde, terwijl het principe afwezig was.
We staan in het gewone leven ook niet toe, dat iemand de auteursrechten opeist
voor een boek dat hij nooit geschreven heeft; dat hij bij definitie nooit geschreven
kan hebben, want hij is zelf een figuur die in het boek voorkomt!
Wel, dat is één van de functies van het ego: het principe dat
na afloop van een waarneming, na afloop van een lichamelijke handeling, na
afloop van een gedachte of een gevoel, volkomen uit de lucht gegrepen komt
zeggen, ik heb gedacht, gevoeld, gezien, gehoord, gelopen, gezwommen... Maar
dat ‘ik’ was er helemaal niet tijdens die handeling.
Wanneer we dus in het juiste perspectief zien wat object is en wat subject
is, dan zien we dat het handelen, het waarnemen, het denken en voelen, dingen
zijn die zich op een volkomen onpersoonlijke manier laten waarnemen, precies
zoals wolken voorbij drijven in de lucht. Eigenlijk is het even dwaas om, wanneer
je naar de wolken staat te kijken, te zeggen: ‘ik ben aan het wolken’,
als het is om te zeggen: ‘ik ben aan het denken’.
Het lichaam zal dus blijven lopen, zwemmen, fietsen, als tevoren; de gedachten
zullen blijven komen; de gevoelens zullen blijven stromen - waarschijnlijk
veel meer dan tevoren. Alleen zul je niet meer denken dat jij de actieve bent.
Want je weet nu dat die actieve meneer of mevrouw die je ervan gemaakt hebt
door deze dwaze combinatie, geen enkele waarheid vertegenwoordigt. Daar was
de Ik-ervaring omdat de Ik-ervaring steeds tegenwoordig is. Maar die Ik-ervaring
had ik vastgeklonken aan al die handelingen, al die waarnemingen, al de rollen
die ik in het leven speel: de huismoeder, de chauffeur, de professor, de huisvader,
ga maar door. We hebben daar allemaal touwtjes aan vastgeknoopt en gezegd:
ik, ik, ik, ik, ik.
Maar in feite kun je gemakkelijk zien, daar hoef je geen filosoof voor te zijn,
dat die touwtjes ten onrechte zijn. De relatie tussen Ik en deze handelingen
is altijd weer: dat die dingen zich in mij, in het Bewustzijn, in het Bewuste
laten waarnemen. Ik ben daar volkomen activiteitloos in.
Ik bent altijd en moeiteloos de Kenner. Al ben ik zo hondsmoe, zo bekaf dat
ik me niet kan uitkleden omdat ik van vermoeidheid het bed intuimel, dan nog
ben ik volkomen moeiteloos de kenner van die situatie. Er is dus niet iets
dat we moeten leren om de Kenner te zijn, iets dat we moeten verwerven of iets
dergelijks. Nee, ik moet alleen herkennen dat ik niet anders kan zijn. Zomin
als het water op kan houden nat te zijn, zomin als vuur op kan houden heet
te zijn, zomin kan wie dan ook van ons ook maar één ogenblik
ophouden om die ‘Kennendheid’ te zijn, waarin zich de dingen manifesteren.
Al deze vragen kunnen worden opgelost of lossen zichzelf op, wanneer we kijken
in het juiste perspectief. Dan doet de handeling zichzelf. Ik weet dat ik niet
een handelend wezen ben, ik weet dat ik niet een passief wezen ben. Ik ben
dat waarin zich die ideeën van actief en passief manifesteren. Ik ben
die Bewustzijnsessentie, die Kennendheid waaruit ze bestaan. Dit geldt voor
iedereen en voor alles, onafhankelijk van de vorm waarin het zich aandient.
Dit is de Ene Essentie die alles en allen gemeen hebben.
|