Onvermogen, falen en vergeving
Interview met Jan van Delden

Jan, deze Amigo gaat over ‘de schoonheid van ons onvermogen’. Is het niet een beetje vreemd om ‘schoonheid’ te koppelen aan ‘onvermogen’, is onvermogen geen falen?

Het onvermogen is weten thuis te zijn - terwijl Jan doorgaat met denken dat hij zich uit de modder moet trekken, vóór hij iets zou kunnen bereiken. En hij faalt eeuwig om de schoonheid te bereiken, hoe hard hij ook zijn best doet. Dus ja, op dat niveau is onvermogen falen.

Maar dat is niet erg, integendeel. Juist dat ‘onvermogen’ is de schat! Want het laat zien dat het ervaren-zijn in ons al aan staat. Het ís al aan de onveranderlijke eeuwige kant. Juist het contrast tussen ploeterende Jan en het ervaren-zijn laat dit bij uitstek zien – voor wie het mag zien. Want als dat niet mag, blijven we het onveranderlijke in de aangeleerde veranderlijke Jantjes-ervaringen zoeken. En dat betekent einde oefening, want het Jan-zijn-denken kan het ervaren waarmee dit denken en zijn verhaal gekend wordt, zélf nooit zien of ervaren. Dan zit er weinig vreugde in falen...

Valt daar wat aan te doen?

Ook als er geen denken is, ervaren we gewoon. Dus hoe simpel zou het zijn, als we gewoon notie mochten nemen van dit feit, dat onze ‘eigenste ervarenheid’ het onveranderlijke in ons is. Maar we nemen er geen notie van. Wat is dit onvermogen? Wat houdt dit schijnbaar tegen? Niets anders dan het geloof in een gedachte of in het gevoel van afgescheidenheid dat zich daarin doet kennen. Zodra het denken geloofd wordt als waar of als jouw denken, is er geen eigenste ervarenheid en daarmee ook geen schoonheid. Schoonheid en onze eigenste ervarenheid zijn beide onzichtbaar en ongrijpbaar voor Jan en zijn denken en gevoel. Maar het zijn – niet iets zijn, maar het zijn zelf - is er daarom niet minder door. Het blijft hoe dan ook dit ‘het-is-zoals-het-gaat’ dragen. Het draagt elke ervaring belangeloos en dus liefdevol, zonder dat het wat met Jantjes wereld heeft of ooit krijgt.

Hoe nu die schoonheid van ons onvermogen te herkennen en het in de aandacht brengen en houden? Juist dat is het verhaal van het spontaan mogen terugvinden van de herkenning van de schoonheid in ons zoals die zich doet kennen. De moeilijkheid zit hem in wat het denken er daarna van zegt. Het denken zegt onverbiddelijk dat het iets doet of laat. Maar er zit helemaal geen ‘doener’ in ons ervaren-zijn! ‘Oh nee?’, zegt het denken, ‘En ik dan?’. Want natuurlijk heeft en kan het denken - Jan – niets met niets. Het denken blijft eeuwig zoeken naar ervaringen van goede tijden, met veel drank, eten, seks, gezondheid en alles kopen wat hij wil en wat er te kopen valt en natuurlijk liefst met veel aandacht van mensen die graag naar hem luisteren en het helemaal met hem eens zijn - en tja, dat is natuurlijk allemaal niet te vinden in ons ervaren-zijn zelf.

Het is dus maar de vraag of een zoeker dit aan wil gaan…

Zeker, want het denken zoekt natuurlijk standaard naar ervaringen en zegt: ‘Wat heb je in Godsnaam aan zoiets oninteressants als het ervaren onderzoeken, als het niets doet, niets hoeft te doen om het ervaren te zijn?’ Om nog maar niet te spreken over het feit dat ervaren geen ervaring is, noch een activiteit die ergens vandaan komt en heen gaat. ‘Wat dom en nutteloos’, zegt ons denken.

Vandaar dat het genade is als we dit tóch mogen doen. Of noodlot / pech / toeval, als je genade nog een vies woord vindt. Hoe je het ook noemt, het kán je overkomen dat je ondanks alles toch op zoek blijkt te zijn naar die schoonheid. Een zoektocht die zijn eigen onvermogen laat zien: naar schoonheid die je in eerste instantie spontaan leek te hebben ervaren en die je nu weer terug moet vinden– waarmee het dus weer als een ervaring wordt gedacht… en waarmee je weer terug ben bij af. Jij – Jan – bent niet in staat om het ervaringsloze ervaren te kennen! Om uit die vicieuze cirkel te ontsnappen moet je niet alleen mogen zien dat je eigenste aandacht het alles omvattende eeuwige ervaren-zijn is. Je moet ook met die aandacht het geloof in het denken, voelen, het hele verhaal van Jan en zijn wereld mogen doorzien als vals, als niet waar, niet bestaand en tegelijk daar niet mee gaan vechten of negeren of welke discussie dan ook mee hebben…

En ja, hoe vink je dat realiseren aan en laat je het aan staan? Mijn antwoord op dat dilemma: slijmen met Jans wereld, die hele wereld moeiteloos dragen maar nooit geloven. Dat geeft de ruimte om ons geluk, vrede en stilte als onze basis te leren kennen, terwijl dat voorheen volledig onbewust was van zichzelf als ‘lekkerheid’. Je denken zegt dat je alleen bewustzijn van jezelf kunt hebben als er een ‘je’ (subject) en een ‘jezelf’ (object) lijken te zijn. Maar vanuit ons ongedefinieerd tegenwoordigheid zijn, ís er geen afgescheidenheid, alleen maar kennendheid. Er dus is er voor onze onveranderlijke kennendheid ook geen onderscheid tussen goede tijden en slechte tijden. Het is wat het is.

Saaaaaai voor het denken - dat alleen over het lekkere kan praten, maar er niet naartoe kan gaan. En vervolgens kwaadheid, jaloezie, verdriet of wat voor pluim dan ook opzet als reactie op dit onvermogen. Want voor Jan was en is de inzet toch zoeken en vinden, begrijpen, te weten te komen, zekerheden vinden, bewust worden, enz., enz., enz.?

Nou, jij hebt er dus iets op gevonden, of beter het heeft jou gevonden. En wat gebeurt er dán?

Het is heel moeilijk met woorden uit te drukken, maar toch doe ik een poging om te beschrijven wat er gebeurt als je het mag zien. Angst, verlangens of welke top of flop ervaring dan ook, komen schijnbaar zomaar ongevraagd in je ervaren-zijn te voorschijn. Als jij vanuit de achterste stoel / het breed kijken / het ongedefinieerd ervaren zijn, iets kent, is dat actiefloos gewaar zijn zónder tegendeel of iemand die gewaar is. Je kent dat bijvoorbeeld van het geluid van vogels en regen vóórdat je denken daar een verhaal van maakt. Je denken zegt als een papagaai achteraf dat je het toen óók hoorde, alsof jij als kennendheid dat al niet wist! Dat ongedefinieerde kijken / schouwen ziet het verhaal, dat beweert een ervaring te zijn, langskomen. Jan en zijn denken, zijn dan zélf iets wat in onze kennendheid langskomt. Jan, het ‘iets wat langskomt’, wordt gekend door onze kennendheid, het stille lekkere dat ons niet verlaat als Jan zijn verhaal probeert te verkopen als waar.

Vervolgens zegt de inhoud van die Jan-ervaring bijvoorbeeld: ‘Ik begrijp dat wat Jantje ondergaat, binnen het kennen plaatsvindt en ik begrijp dat ik dus uit het kennen moet bestaan, óók als Jantje bang is of naar een bepaalde ervaring verlangt.’ Wat aandoenlijk is als je dat zo mag zien (slijmen!), terwijl dit natuurlijk een ‘verlicht Jantje’-verhaal is dat niets te maken heeft met dat stille intieme wat ons kennen is.

Dit is een erg belangrijk verschil tussen het simpele kennen-zijn en het kennen van het verhaal van de waarheid. Het kennen zélf zegt niets over die waarheid, want dat kent alleen maar. Deze schijnbare tegenstelling is net als ‘laat de linkerhand niet de rechter kennen’. De linkerhand blijft een schijnbaar verhaal vertellen en jij zegt figuurlijk, als het zo mag: ‘Ja hoor schat, je hebt helemaal gelijk’. Kortom je laat het gewoon passeren, zijn verhaal vertellen, meer niet… maar je gelooft het verhaal NOOIT. Zo is er dus geen dualiteit, alleen een gebeuren van gewoon er-zijn.

Klinkt prachtig, maar wat heeft Jan er aan?

Allereerst: je kunt en hoeft de Jantjes niet kalm te krijgen. Hun onvermogen is jouw onvermogen. Want JIJ als tegenwoordigheid bent er al, helemaal onbewegelijk en ‘kijkloos-gewaar’ en onbeïnvloedbaar. ‘Bewust zien’ dat Jantje angst heeft, is als benoeming weer een gedachte, maar wat daar weer achter zit, is zeg maar het ‘thee drinken’. En in het thee drinken is er geen enkele activiteit of genieter, alleen intimiteit. Die intimiteit is niet van Jan, die is van wat we onveranderlijk zijn. En als je het voorgaande niet begrijpt, dan is dat prima, want intimiteit gaat nooit over begrijpen maar over gewoon er-zijn.

Het is op Jantjes niveau dan ook onmogelijk om die intimiteit te regelen of te houden. Je hebt op dat niveau alleen de verhalen over hoe het was en weer zou moeten of kunnen zijn. Maar ja, in het verhalen-denken zit geen ‘thee-intimiteit’, want dat is de basis waarin Jan langskomt. Als het mag, dan kun je dit simpele feit in het oog en in stilte leren houden. Ons kennen gaat nooit in op een verhaal. Het kent het slechts. Het niet ingaan op ervaringen in het algemeen is dus al een feit voor ons ervaren-zijn, en dat noem ik het ‘sneller schieten van het ervaren-zijn dan de verhalen van je schaduw - het-ervaring-zijn’. Zo houdt dit inzicht je vanzelf uit het geloof in elke ervaring en daarmee op afstand. Net zolang tot je helemaal moeiteloos mag zien dat ervaringen niet echt bestaan of hebben bestaan, en dualiteit doorzien is als niet waar, zonder dat je er nog iets voor hoeft te doen of te laten.

Vervolgens kán het gebeuren dat je door dit standpunt verschuiven merkt dat ook Jan indirect tóch een beetje kalmer wordt, namelijk doordat JIJ ziet dat er een Jantje bang / niet kalm / wel kalm verhaal langskwam – maar dat dat verhaal uit het ervaren zélf bestaat. We kunnen het ervaren niet uit, dus is alles wat we lijken te ervaren, het ervaren zélf en niet de object-ervaring van iets buiten het ervaren. Dat steeds te corrigeren is in de praktijk van het leven de dualiteit doorbreken. Bijvoorbeeld door te zien dat er geen buiten-de-zintuigen is. Tot ook die trucendoos doorzien wordt en vanzelf weg valt en je ziet dat JIJ, het ervaren, zelf nooit iets ervaart. Het ervaren / kennen, kent niets, ervaart niets! Dus weet je dat alles wat je ervaart onmogelijk iets anders kan zijn dan jouw eigenste aanwezigheid.

We zijn ontegenzeggelijk die kennendheid, die tegenwoordigheid, maar er is niemand in dat zijn. En laat juist dat nou het geluk zijn dat iedereen zoekt… en de reden van ons verdriet en onvermogen. Omdat we het kennen al zijn, kunnen we het geluk niet in de ervaringen pakken, en zullen ze als je naar ze luistert altijd beweren ongelukkig te zijn!

Het duizelt me… ik snap dat als ik het probeer te begrijpen, ik er ‘naast grijp’. Maar dat geldt voor jou toch net zo goed? Hoe is het in zijn werk gegaan dat je er tóch van kunt getuigen, dat het schijnbaar is ‘gebeurd’? En wat ‘gebeurde’ er vervolgens?

Dat wat we zijn in de praktijk in elke situatie in het oog leren houden, kon in mijn geval pas echt plaatsvinden nadat ik niet meer in de Jantjes hoefde te geloven als waar. En ze, ook in hun meest dramatische en fobische momenten, kon passeren door te doorzien dat in de allesomvattende eerste oorzaak niet iets van dualiteit kan bestaan, dat het kennen en zijn tegenwoordigheid niet een activiteit van Jan kunnen zijn en dat ik dus voorbij aan Jan en zijn wereld was - en daarmee niet meer in zijn verhaal als waar ging zitten, hoe echt het ook zich vertelt.

Dit hield ‘ontoorloging’ in met alle Jan-tegenstellingen en al die van de anderen. Er is geen directe controle mogelijk en nodig op Jans doen en laten. Maar omdat je vanuit kennendheid kijkt, leer je net zozeer Jan als alle anderen te volgen als niet van jou. Dan kom je er vanzelf achter, dat hij net zo’n rund kan zijn, als waarvan hij de anderen beticht en wordt hij gewoon een voorbijgangersverhaal. Het weten dat dit een droom van de eerste oorzaak moet zijn en dat jij dus zelf die eerste oorzaak moet zijn en niet Jan, doodt het geloof in de echtheid van de dualiteit – inclusief het ‘ik-ben-Jan’ en zijn oorlog met de anderen. Daarmee worden ook de aanvallen van de anderen doorzien: er zit niemand in die het doet, deed of zal doen!

Het gevolg is het einde van het doenerschap. Je blijft door het zo te mogen zien vanzelf uit het in oorlog zijn van ‘ik en de ander’, zelfs als het verhaal gewoon lijkt door te gaan. Dat is leren slijmen naar Jan en de ander, die wél gewoon blijven geloven dat ze afgescheiden wezens zijn. Let op: een heilige Jan-die-weet is dus óók een Jan! Maar jij ziet dat ook dat niet waar is en zo ga je niet meer in hun doenerschap geloven.

Dit mogen/durven zien, maakt vroeg of laat een einde aan de oorlog met een verleden en een toekomst, met hoofd- en bijrolspelers. Je ziet dat ze er niets aan konden doen en strikt genomen, kon het zelfs nooit hebben plaatsgevonden. We zijn namelijk nooit in een verleden of toekomst geweest. Als het enige zijn om alle droomervaringen te dragen, ben/was/zul je altijd tegenwoordig zijn. Tijd is voor Jan, niet voor jou.

Als het mag, zie je dat het allemaal niet waar is en laat je Jan en zijn wereld los. Dan verdwijnen het onvermogen en het falen, want die horen bij die verhalenwereld, die daarmee gelijk aandoenlijk wordt. Dat bezien is de schoonheid zijn, en dan komen vanzelf de vrede en intimiteit van ons eerste-oorzaak-zijn blijvend omhoog, wat de diepste betekenis van vergeving opent naar gewoon je zelf zijn.

 

[door Pol Sturtewagen en Robbert Bloemendaal]

website Jan van Delden: www.ods.nl/la-rousselie