| Vier
onvermogens
fragmenten
van Wolter Keers uit een video registratie
Het onvermogen
van ‘ik’
Wij hebben steeds wisselende zelfvoorstellingen.
Het ogenblik dat zo'n voorstelling verschijnt springen wij er
in, we verweven ons ermee en we beleven die voorstelling als
'ik'. Als ik tegen iemand die ik niet ken zeg ‘ja, maar
ik kan aan je gezicht zien dat je vreselijk oneerlijk bent',
loop je grote kans dat hij diep beledigd is. Waarom? Omdat hij
van zichzelf een voorstelling wenst te hebben van iemand die
eerlijk is en omdat hij wenst dat ik ook een voorstelling heb
van hem of haar die eerlijk is. Dus wij hechten een wereld van
waarde aan die voorstellingen, die toch maar een paar seconden
in ons hoofd verschijnen en dan weer verdwenen zijn en misschien
wel nooit meer terugkomen.
Voor al die dingen: dat lichaam, de zintuigen,
het functioneren van de geest, denken en voelen, en die zelfvoorstellingen
hebben we één verzamelwoord en dat noemen we 'mijn
persoonlijkheid'. En nu is de tragedie dat zolang je gelooft
in zo'n persoon, zolang je gelooft dat je een persoonlijkheid
bent, dat je daar dan ook de slaaf van bent. Je kunt beter in
de gevangenis zitten dan te geloven dat je een persoon bent.
Dat geloven jullie nu niet, maar ik hoop dat de dag komt dat
je ziet dat het wel zo is. Als ik nu de keuze heb van door één
of andere magische truc weer te geloven dat ik een persoon ben,
of een jaar de bak in, dan ga ik liever een jaar de bak in.
Dag in, dag uit zijn wij bijvoorbeeld bezig, met
inzet van tonnen energie, om door een ander geaccepteerd te worden.
Wat moet geaccepteerd worden? Die voorstelling in ons hoofd.
Zo leveren we met onszelf een uitputtingsslag, allemaal ten bate
van voorstellingen in ons hoofd. Mijn vraag: 'Ben je een voorstelling
in die eigen kop van je?’ Zo ja, dan moet die voorstelling
er altijd zijn, wat jij bent is er altijd. En je hoeft niet langer
dan 10 seconden te kijken om te zien dat die voorstellingen er
helemaal niet altijd zijn. Die komen maar af en toe eens een
keer langs. En bovendien is die voorstelling de ene keer zus
en de andere keer zo. Dus wij leven werkelijk als een soort...
niet eens schizofrenen, maar als een soort polyfrenen, die nu
eens dit plaatje, dan weer eens dat plaatje aanzien voor zichzelf
en navenant handelen, gevleid zijn, kwaad worden, proberen aanvaard
te worden, pressie uitoefenen en... de lijst is lang.
Wat je denkt dat je bent is natuurlijk bij voorbaat
onzin want er is geen enkele gedachte die al die jaren van jouw
leven kan omvatten. Dus ieder van ons is om te beginnen al iets
ondenkbaars. Iets wat in geen enkele voorstelling past. Wel,
wat ik ben, ben ik altijd, mijn hele leven lang. Voorstellingen
komen en gaan. Herinneringen komen en gaan. Toekomstverwachtingen
komen en gaan. Maar er is iets wat het kind op de kleuterschool
met de puber, en de jonge man, en de figuur die ik nu ben, gemeen
hebben, en dat geldt voor ons allemaal. Wat is dat? Er is iets
wat ons geen enkele dag verlaat. Dat kun je op verschillende
manieren aanduiden, je kunt het niet omschrijven, niet beschrijven,
maar wel aanduiden. Het is het feit dat wij aanwezig zijn, dat
wij altijd nu zijn. Ieder mens is altijd nu, en altijd hier.
Wij zijn altijd zoiets als aanwezigheid, zoiets als waarnemen,
je zou dus kunnen zeggen een bewuste aanwezigheid. En in die
zin gebruik ik dan ook het woord bewustzijn. Ieder van ons weet,
helemaal moeiteloos: ‘ik ben’.
Het ogenblik dat dit 'ik ben' herkend wordt, zie
je ook dat daar tegelijkertijd waarneming is. Dus in al die dingen
waarvan wij geleerd hebben dat wij ze zijn: lichaam, functioneren
van de zintuigen, van het denken, van het voelen, zijn dingen
die komen en gaan, die worden waargenomen. Wat ze allemaal gemeen
hebben is dat waarnemen, dat ieder van ons doorlopend
is.
Waar het dus in mijn verhaal, want ik kan u alleen
maar mijn eigen verhaal vertellen, om gaat is dat u als het ware
de ui afpelt: ‘ik de man of vrouw’, ‘ik de
Nederlander’, ‘ik Europeaan’, ‘ik
links of rechts’, enzovoort, enzovoort, enzovoort, totdat
alleen dat overblijft wat ik onlosmakelijk, onafscheidelijk,
wezenlijk ben.
Omdat wij jaar in jaar uit, en sommigen van ons
tientallen jaren, geleerd hebben ons denken te consulteren als
we iets over onszelf willen weten, en op zijn best ons gevoel,
is het soms een hele klus om dat denken te overtuigen. Vandaar
dat er een heel arsenaal van argumenten steeds weer naar boven
komt. Maar wat hier beweerd wordt, ook al moge dat soms wel zo
lijken, is geen intellectuele zaak. Het intellect kan niet begrijpen
wat ik ben. Het intellect is maar iets heel oppervlakkigs. Veel
dieper gaat het gevoel. Maar ook het gevoel kan niet begrijpen
en niet vertellen wat ik ben. Want wanneer gevoelens voorbijgegaan
zijn, dan ben ik nog niet voorbijgegaan.
Elk gefascineerd zijn staat het in de weg. Zelfs
het gefascineerd zijn in dit pad. Daar kun je niet omheen. Kijk,
in het begin leef je in twee werelden: in een wereld van feiten,
en in een wereld van opinies die je projecteert over die feiten
heen, als een stoflaag. Je bent gefascineerd door dingen, waarom?
Omdat je ze onderscheidt van andere dingen. Je ziet niet alle
dingen als jezelf. In feite is alles wat je waarneemt jou zelf
en niets anders. Dus of ik nou kijk naar een schilderij van Rembrandt
of naar deze tronie in de spiegel, in beide gevallen zie ik mijzelf.
Of naar die stoel. Dus in de totale eenheid zijn dingen niet
meer fascinerend. De totale eenheid is één gigantisch,
laat ik nou maar zeggen: accepteren van de hele wereld als jou
zelf.
De wereld van tijd en ruimte en oorzakelijkheid
bestaat bij de gratie van tegenstellingen. Als er geen hier is,
is er geen daar. Dus dan is er geen wereld mogelijk. Als er geen
rood is, is er geen groen, is er geen wereld mogelijk, althans
niet een gekleurde wereld. Als er geen klein is, is er geen groot.
Nou projecteer je daar overheen nog weer die stoflaag van de
psyche en daar is geen goed zonder kwaad en geen kwaad zonder
goed.
Dat is de polariteit, in het eerste geval van
de zintuiglijke wereld, in het tweede geval van de psychische
wereld. Wel, het ogenblik dat je je zover kent als niet iets
psychisch, maar als aanwezigheid, dan volgt daar al heel snel
de ontdekking op dat de hele wereld niets anders is dan waarnemingen
en die waarnemingen vinden plaats binnen die aanwezigheid.
We hebben geleerd het waarnemen op denkbeelden
te projecteren. Wij zeggen: 'Ik ga eens even waarnemen',
de natuur bijvoorbeeld waarnemen. En: 'Dit is de geest,
de waarnemer'. Maar dat is niet zo. De geest is geen waarnemer,
de geest is het waargenomene. We hebben geleerd te geloven, dat
het denken iets weet. Denken kent helemaal niks. Het denken is
maar een dansje. Het denken wordt gekend. We weten dat een gedachte
gekomen is en gegaan, dus van dat object hebben wij een subject
getoverd. Nou, en die truc moet weer ongedaan gemaakt worden.
Het zijn allemaal objecten. Wat er overblijft is het waarnemen.
Zolang daarin een wereld verschijnt, dan is de waarnemer hier
en het waargenomene daar, verdwijnt die wereld dan is er ook
geen hier en geen daar meer. Dan is er iets wat ik niet kan beschrijven,
maar ik heb geen bezwaar om het ‘het pure waarnemen’ te
noemen of zoiets, maar er is geen object in en geen subject in.
Dan zijn waarnemer en het waargenomene gewoon hetzelfde. Zoals
in de diepe, droomloze slaap.
Een waarneming wordt pas gekend als ie is afgelopen.
Pas als een zin is afgelopen kan ik zeggen dat ik ‘m
gehoord heb. Pas als een waarneming is afgelopen kan ik zeggen: 'Ja,
ik zie een boom'. Ik moet hem eerst hebben waargenomen.
Vervolgens kan er een nieuwere waarneming van dezelfde boom komen,
maar er moet eerst een waarneming zijn afgelopen voordat ik kan
zeggen dat ik een boom heb gezien. En zo ook met gedachten. Ik
ken een gedachte pas als die is afgelopen.
Schaamte bestaat alleen bij de gratie van het
geloof in de waarnemer, het geloof in de ik-voorstelling. Je
bent geen persoon, je bent geen ik-voorstelling. Je bent niet
een gehaktbal van wat herinneringen, angsten en verlangens en
schaamte en zo wat. Als je dat was dan zou je het vierentwintig
uur per dag wezen. Water is natheid en water is vierentwintig
uur per dag natheid en het is nooit niet natheid, want water is natheid.
Dus als jij een bepaalde persoon was, dan was je die altijd.
Maar je bent ‘m bijna nooit. Als jij zit te studeren, waar
is die ik-voorstelling dan? En die herinnering aan je kleuterjaren,
en weet ik wat allemaal? Totaal afwezig. En zelfs daarvan ben
je je niet bewust.
Er bestaat niet zoiets als het zuivere gevoel.
Wat bestaat is het zuivere zijn. Wat wij zuiver gevoel noemen
is gevoel zonder egoïstische betrokkenheid. Dat bestaat
pas wanneer het ego helemaal ontmaskerd en verdwenen is. Nooit
door er tegen te vechten. Alleen maar door het te doorzien. Want
als ik er tegen ga vechten dan zeg ik: 'Ja, het is toch
reëel.' Maar ik ga niet tegen een droombeeld vechten.
Helemaal niet. Ik ga alleen maar zien dat het een droomwereld
is. Dan verdwijnt het vanzelf.
De doodklap voor de illusie is het inzicht, het
doorzicht, het ontmaskeren, en de bereidheid tot loslaten. Levenskunst
is de kunst van het loslaten. Het is een soort van sterven, natuurlijk.
Het is een sterven terwijl dit ding (wijst op zijn lichaam) nog
leeft. Dus de kunst om dood te gaan voordat dit ding doodgaat.
Proberen hem te vlug af te zijn. En uiteindelijk, wat gaat er
dood? Alleen maar illusie. Iets wat eigenlijk nooit bestaan heeft.
Een manier van denken.
Wat ik wijsheid noem is: alles loslaten. Waar
het om gaat is het herkennen van wat je zelf bent, hier en nu.
Elk ogenblik van elke dag. Daar kun je je niet de hele dag mee
bezig houden, natuurlijk niet, je hebt wel wat anders te doen
- je hebt een baantje te doen en weet ik wat allemaal, maar af
en toe even die flits, zo van: ik ben altijd nu. Enzovoort. Of
ik ben dat waaruit gevoelens en gedachten en de zintuiglijkheid
voortkomen. Dergelijke dingen. Heel even. Geef het de kans om
te kiemen. Maar maak er geen leer van die je uit je hoofd kent.
Het onvermogen
van Samadhi
Mijn leermeester, die – ik
heb zelf een beetje die aanleg – die gaf mij terstond
op mijn donder want dat was helemaal niet waar het om ging. En
zeker twee jaar lang kreeg ik zo af en toe op mijn donder, dan
zei hij: 'Ah, daar heb je Keers weer. Samadhi-minded.' Wat
ik dan deed, ik ging daar een beetje zitten, concentreren en
zo, en dan raak ik helemaal weg. Ik zit in een stoel, met ogen
open, maar verder is het net als de diepe, droomloze slaap. En
dat wist ik zelf niet. Hij wist het wel, maar ik wist het niet.
Ik heb het zelf op een gegeven ogenblik ontdekt. Want ik zat
in een huis waarin twee kleine kinderen waren. Hele lawaaiige
kinderen. En die werden dan door de aja, dat is de baboe, van
de kleuterschool gehaald, aten in die geweldige kamer waarin
ik zat, en nou, dat was duidelijk merkbaar. En het gebeurt mij,
het werd ineens één uur, waar zijn de kinderen?
Er zal toch niks gebeurd zijn? En ik ga naar boven, en ze liggen
in bed. De volgende dag gebeurde dat nog een keer, en
daardoor weet ik dat ik in samadhi zat. Nou, dan kun je wel nagaan,
zo min als na de diepe, droomloze slaap, dan word je niks wijzer
wakker. En die samadhi’s, daar leer je ook niks van. Je
hebt een ander soort samadhi die echt een extase is, een soort
LSD-trip, waarin je opeens weet dat je één bent
met God en weet ik wat allemaal. Maar ook daar word je niet wijzer
van.
Er zijn mensen, Rajneesh
is er
één van, en die hele dikke jongen, Maharaji, die
hebben dat, die raken je aan en dan krijg je zo’n extase.
En dan moet je van hele goede afkomst zijn wil je dan nog zeggen:
'Ja, maar dit is het niet'. Dan moet je van héle goede
afkomst zijn, zeker als je er nog nooit iets over gehoord hebt.
Als je alleen de dominee of de pastoor hebt om daarmee te vergelijken
dan zeg je: 'Nou, dit is God zelf.' Het is ook wel
zo, maar je hebt er niks aan, want je bent daarna net zo stom als
daarvoor.
Mijn eerste leermeester
was Ramana Maharshi en die had, laat ik nou maar zeggen, ik moet
een woord gebruiken, zo’n uitstraling, als je daar stond
was je op een heel andere golflengte. Die had dus ook van deze
siddhi’s, kennelijk… als ik een vraag had, dan werd
ik per telegram beantwoord. Zonder dat hij zijn mond opendeed.
En ook zó beantwoord dat de vraag voorgoed verdwenen was.
Enfin, ik kwam er een week of acht voor zijn dood, en
dat was te kort, dus hij heeft mij doorgestuurd naar een andere
guru, en die is een aantal jaren lang mijn guru gebleven. Daar
kreeg ik een heleboel woorden waarmee ik mijn begrippenwereld
uit de weg kon ruimen. En dat heb ik daarna nog een jaar
of drie gedaan toen ineens de zaak klapte.
Hij heeft me erg tegen
Samadhi’s gewaarschuwd, juist omdat ze zo verslavend zijn.
Ik herinner me ook ergens een uitspraak van Ramakrishna, die
zegt: 'Mensen komen naar mij toe, net zoals pauwen aan
wie opium gevoerd is, die komen iedere dag terug voor een stukje
opium.' Die had kennelijk ook zo’n soort uitstraling,
en daar kwamen mensen voor. Ik heb ook nog wel een paar meegemaakt
die, toen ik in Brussel kwamen ook veel mensen en een paar die
kwamen dan echt zitten te genieten van de sfeer. Ja maar dat
is het niet. Die heb ik er gewoon uitgetrapt op een gegeven moment.
Dat is het grote gevaar van dat soort yoga allemaal. Terwijl,
als je het ego – naar woord – ontmaskert en
er achter komt dat het helemaal een denkbeeldige zaak is, letterlijk
een denkbeeldige zaak, denkbeelden die je voor jezelf aanziet,
dan leidt dat vanzelf tot een geweldige ontspanning waardoor
die kundalini wel naar boven komt. Maar dan is het als je er
aan toe bent. Het eerste blaadje dat ik ooit van Rajneesh in
handen kreeg, en dat was lang voordat hij hier bekend was, daarin
stond dat je in de kleermakerszit moest gaan zitten en dan keihard
met je billen op de grond, zo (wipt op en neer) en dan ging die
kundalini omhoog. Maar dan loop je wel flink het risico dat je
in een krankzinnigeninrichting terecht komt. Ik heb het in Arnhem
meegemaakt, in de oorlog, een paar dames die hadden ook een boekje
over yoga en pranayama, nou die zouden het wel flink aanpakken.
Drie uur per dag. Die zaten na drie weken in een gekkenhuis.
Dus alles op een natuurlijke manier. Dat kun je nog van de boeddhisten
leren, die namen de gouden middenweg, hè. Niets forceren.
Nou, die raja yoga dus
van Patanjali, die leidt tot samadhi. Nou dat heb ik gehad, helemaal
spontaan, toen ik een kind van een jaar of vijf, zes was. En
ik heb het ook wel eens bij andere kinderen gezien. Ik denk dat
meer kinderen dat hebben dan wij wel denken. Maar goed, ikzelf
bijvoorbeeld heb er nooit met iemand over gepraat, zeker tot
mijn achttiende. Je weet ergens, dit is iets heiligs, daar moet
je verder niet aankomen. Vijf, zes jaar. Ik was in de tuin aan
het spelen, ik had nog een zandbak. Maar ja, daarna heb ik alle
fouten gemaakt die je maar kan maken. En nog een paar erbij denk
ik. Dus op zichzelf: je weet dat er iets is, hè, between heaven and earth,
iets dat meer is dan de som van alle delen, maar je kunt er niet
aankomen.
De tweede
keer dat mij dit overkwam was in de oorlog, toen een hele goede
vriend van mij – we zaten samen in Friesland, ondergedoken, we zaten
samen in dezelfde verzetsclub en zo – en hij las iets voor
uit één
of ander boek van een Perzische mysticus of zo en plotseling
gebeurt het en zaten we beiden in die toestand. Wat gebeurde
er vervolgens? Twee dagen later heb ik een depressie gekregen.
Echt zo een waarin de hemel van koper is. Wat was er gebeurd?
Je probeert daar in terug te komen. En dat kon niet. Wist ik
veel. Had iemand mij toen uitgelegd hoe het in elkaar zat dan
was het misschien niet gebeurd, maar ik had niemand. Niemand
wist het. Want jij als persoon probeert dat dan te bereiken,
en dat is niet mogelijk. Zo’n toestand is juist de afwezigheid van
de persoon. Geluk is de afwezigheid van de persoon. Afwezigheid
ook van het denken. Als je gelukkig bent dan denk je niet. Wij
hebben geleerd om het denken te consulteren als we iets over
onszelf willen weten, maar denken weet er niets van. Ik ken wel
mijn gedachten maar mijn gedachten kennen mij niet. Ja toch?
Gedachten die drijven voorbij. Daar ben ik de waarnemer van.
Maar zij kennen mij niet.
Het onvermogen van religie
De geest zelf verdeelt
zich in tweeën, en de ene helft babbelt met de andere helft.
De rechter en de beklaagde. Een heleboel mensen lopen de hele
dag met een dialoog in hun hoofd tussen de rechter en de beklaagde. 'Nou
joh, dat had je wel beter kunnen doen', enzovoort. Dus
wat in de geest is, wordt daar schijnbaar tot twee gemaakt. En
zo zijn er allerlei van die dingen.
Dat is wat de meeste
godsdiensten doen, die polariseren de menselijke psyche, goed
en kwaad en zo, God en duivel en dat soort dingen meer. Alleen
in het Hindoeïsme word je erbij verteld dat het maar eigenlijk
een symbolische zaak is. En dat al die goden aspecten vertegenwoordigen
van jezelf. Hier zijn de godsdiensten op zichzelf geworden. Maar
een godsdienst hoort maar een aanloop te zijn. Godsdienst is
voor kinderen. De meeste mensen blijven natuurlijk altijd geestelijk
gesproken kinderen. Maar kinderen kunnen geen abstracties aan
enzovoort, dus die vertel je verhaaltjes. Paulus zegt: 'Toen
ik klein was kreeg ik melkspijzen en zo, en nu ik volwassen ben
krijg ik vaste spijzen. Nou: de godsdienst, in het Oosten,
dat zijn de melkspijzen, voor kinderen. En wie volwassen wordt
die gaat zich afvragen: 'Hoe kan dat nou?' Vragen
die bij bijna iedereen opkomen, van eh… 'Ja, als
God nou goed is en liefde en perfect, hoe kan ie dan een imperfecte
wereld scheppen?', en zo. En ofwel je laat je door een
geestelijke met een kluitje in het riet sturen, ofwel je pikt
het niet. En ik heb het niet gepikt. Ik zei: 'Dat bestaat
niet.' Hoe kan God alomtegenwoordig zijn en er toch nog
plaats zijn voor de duivel? 'Ja, dat is het mysterie.' Ik
zei '*#%\**!', ik zal niet zeggen wat ik zei, hè.
Nee. Het is niet het één EN het ander, het is niet
een mysterie, het is gewoon een leugen, dat kan niet. Of de duivel
bestaat
óók uit God. Een van beide.
'Ja,' zei
mijn ouwe heer dan, 'dat is scholastiek.' En daarmee
was het voor hem afgedaan. Maar natuurlijk is het wel te beantwoorden.
Natuurlijk is het heel goed te beantwoorden: het is gewoon waanzin!
Het zijn verhalen voor kinderen. Wat we inderdaad zoeken is alomtegenwoordigheid.
Wat is de duivel? De duivel is een Griek. Het is een grieks woord:
duivel. Diabolè. Dat betekent: ergens iets tussen gooien.
Dus degene die splijt. Die de ene geest splijt in rechter en
beklaagde. Dat principe van splijten, van ik hier en de rest
van de wereld daar, dat is de duivel, dat is de betekenis van
het woord. Dus de duivel is: God aanzien voor iets anders dan
hij is. Het licht aan te zien voor half licht, half duister.
Die visie, die manier van kijken, dat is de duivel. Maar in de
geïnstitutionaliseerde kerken is dat een mannetje geworden
met horens en zo. Dat is inderdaad voor kinderen. Maar het verhaal
is heel erg best uit te leggen. Het is ook heel logisch. Onze
illusoire visie, dát is de duivel. Waar wij wat één
is, splijten in twee, of in veel. Niet zien dat dit de veelheid
is van het ene, dat is de duivel. De splijter.
Kijk, de wereld waar
jij in zit,
’s ochtends om negen uur, ’s middags om drie uur, wanneer
dan ook, is niets anders dan een verlengstuk van jouw eigen standpunt
van dat ogenblik. Iemand die in een depressie zit, die heeft een
rotleven, die heeft een rotjeugd gehad en die krijgt een rotouderdom,
en de hele wereld is rot. Drie maanden later is diezelfde persoon
tot over z’n oren verliefd. Dan is de hele wereld la vie en rose,
begrijp je? Want zijn standpunt is veranderd. De wereld niet, zijn
standpunt. Nou, dat gaat altijd op. Dat gaat ook biologisch op.
Als ik klim in het zintuig genaamd oog dan is het verlengstuk daarvan
een optische wereld. Klim ik in het zintuig genaamd oor dan verschijnt
er een daarmee corresponderende akoestische wereld. En klim ik
in het denken dan verschijnt er een begrippenwereld. En dat is
waar wij, in schijn, aan vastliggen. In feite helemaal niet, want
die ik die daaraan vastligt is niet meer dan een begrip. En het
vastliggen ook niet. Maar goed, het feit dus dat wij duivels met
onze geest omspringen, die splijter, doet die schijnbare gebondenheid
ontstaan, en doet ons leven uiteenvallen in een aantal werelden
die corresponderen met onze wisselende standpunten. To the rain it always raineth, to the snow
it always snoweth. De
regen ziet nooit iets anders dan een kletsnatte wereld, en de sneeuw
ziet nooit anders dan een witte wereld. Dus de regen zegt: 'De
wereld is nat, niet wit.' En de sneeuw zegt: 'De wereld
is wit, niet nat.' Begrijp je?
Het geheugen projecteert al
die dingen na elkaar en relativeert: 'Nee, soms nat en soms
wit en soms droog.' Maar wat wij de wereld noemen is eenvoudig
een verlengstuk van ons standpunt van dit ogenblik. Is je standpunt
dat van een begrip, van een denker, dan leef je in een begripswereld.
Is jouw wereld niets anders dan licht, dan vrijheid, dan blijkt
die hele wereld vrijheid te zijn. Dus wanneer het idee een Jan,
Piet of Klaas te zijn, verdwenen is, dan blijken we alleen maar
vrijheid te zijn. Dan blijkt die gebondenheid alleen maar illusie
te zijn geweest. Bedacht, maar niet reëel. Vandaar dat helemaal
aan het eind van de reis Shankara zegt: 'Er is nooit iemand
gebonden geweest, en nooit iemand op zoek, en daarom nog nooit
iemand bevrijd'.
Als je je denkbeelden
over jezelf loslaat, dan verandert daarmee ook wat jij de wereld
noemt. En die verliest zijn bedreiging. Vrijheid betekent geen
afweer hebben. Dat is dan weer zo’n negatieve omschrijving.
Je kan niet zeggen het is zus of het is zo, wat we zeggen is:
geen afweer hebben. Er bestaat ook niet zo iets als verlicht
gedrag. In tegenstelling tot wat sommige stichtingen beweren.
De grote Shankara zelf heeft gezegd: 'De waarheid te vinden
is niet moeilijk, het iedereen naar de zin te maken is bij voorbaat
uitgesloten.'
Het onvermogen van bereiken
Ik herinner
mij nog hoe mijn guru op een gegeven moment tegen iemand zei,
met een klem die ik nooit vergeten heb: 'Remember, this is not the
path of meditation, this is not the path of concentration, this
is a path of immediate recognition.'
Nisargadatta
zei tegen mensen:
'Kijk, neem nota van het feit dat je bent. Moeiteloos, toch?
Daar hoef je ook niet voor te denken. Je weet heel zeker dat je
bent. Ja? Ja. Nou, blijf daar zitten.' Dat komt op hetzelfde
neer als wat mijn guru onmiddellijke herkenning noemde. Dat is
een heel belangrijk punt waar ik steeds weer op terugkom: het moet
moeiteloos zijn. Zolang je ergens moeite voor moet doen om het
te weten, dan is dat niet waar ik over praat. Dat, waarvan je moeiteloos
heel zeker weet, zonder te denken, dat je bent, daar gaat het om.
Je weet toch heel zeker dat je bent?
Er valt
dus niets te bereiken want wat je bent, ben je. Men kan je alles
afpakken, maar niet wat je bent. Dus het enige wat er moet gebeuren
om te weten dat je de vrijheid zelf bent is de illusie kwijt
te raken dat je een meneer ergens vandaan bent. Jij bent niet
beperkt tot dit ding. De Romeinen hebben ons het bijgeloof ingepraat
dat wij een gezonde geest in een gezond lichaam moeten zijn,
maar feitelijk: wat verschijnt er in wat? Wat mij betreft is
het lichaam een aantal waarnemingen, en die waarnemingen verschijnen
in de geest. En niet omgekeerd. Dus het is leuk als je een gezond
lichaam hebt in de geest, maar prop die geest niet in dat lichaam.
De geest heeft geen tijd en plaats en ruimte. De geest is dat
waar tijd en ruimte in verschijnen. Kortom: wij ademen rustig
verder, alleen we doorzien steeds duidelijker, steeds helderder,
dat we niet duizend en één begrippen zijn, duizend
en één waargenomen dingen zijn, niet dit en niet
dat en niet dat en niet dat. En op een gegeven moment is de doos
leeg. En dan ontdek je dat je zo groot bent als de wereld. De
vorm die de wereld, het waargenomene, op een gegeven ogenblik
aanneemt. Het zit diep hoor, begrippen. Vrienden die bij mij
over de vloer komen, die jen ik daar ook behoorlijk mee. Ik heb
een hele donkere en die noem ik dan nikker en zo, hè.
Niet dat ik een racist ben maar gewoon – hij noemt mij
dan bleekscheet – maar om je los te schudden uit het idee
dat je een begrip bent. Iemand moet je helemaal voor rotte vis
kunnen uitmaken en dan moet het je helemaal niets doen, omdat
je weet dat je geen enkel begrip bent, en dan is het goed. Zo’n
grapje haal ik natuurlijk niet de eerste keer uit dat iemand
komt, maar het is wel de bedoeling dat je weet dat je ofwel niets
bent ofwel dat je alle dingen bent, dat komt op hetzelfde neer.
Zolang je
denkt dat je een persoon bent, kun je zeggen: 'Wat is het doel?' Wat
je allemaal doet in het leven, waarom doe je dat? Omdat je gelukkig
wil worden, een baantje hebben of de wereld redden of een gezin
hebben met kindertjes of weet ik veel wat. Dat is voor iedereen
verschillend, maar wat je zoekt is: bevrediging. Veiligheid,
enzovoort. Nou, dat is dus het doel. Het doel van je leven is
om het geluk te vinden. Sommige mensen symboliseren het als God,
of iets anders, of het absolute of wat dan ook, het zijn maar
woorden. In mijn kretologie zou ik zeggen dat je alsmaar dat
probeert, waarvan je waarschijnlijk denkt dat het moeilijk is:
om alleen maar jezelf te zijn. Als je veel van iemand houdt is
het grootste compliment dat je ze kunt maken: 'Bij jou
ben ik helemaal mezelf.' Dus dat zoeken wij. Het doel van
ons leven is alleen maar onszelf te zijn. Nou, het ogenblik dat
we alleen maar onszelf zijn, dan zien we dat wat ik ben heel
iets anders is dan ik ooit, uiteraard, heb gedacht. Het velletje
op de melk. Denken heeft geen idee van wat ik ben. Echt niets,
nul. Want wat ik ben heeft zich verstopt achter alle ogen. Wat
ik ben is God. Niet als die met die baard, want hoe ziet God
er uit? Ziet er niet uit. Hij heeft geen vorm. Niet. Hij heeft
geen vorm. Nou, hoe zie jij er uit? Wezenlijk heb je ook geen
vorm. God is onvoorstelbaar. Maar wat ik je probeer duidelijk
te maken is dat jij zelf ook onvoorstelbaar bent. Dat je niet
in welke voorstelling dan ook te vatten bent. Als je dat ziet
dan ontdek je dat die drie letters, GOD, en die twee letters,
IK, verwijzen naar één en hetzelfde. Er is maar één
onvoorstelbare, natuurlijk. Zodra je twee zegt, heb je een voorstelling.
Heb je weer de duivel. De split. Dus wat je nu doet zonder het
te weten, is met jezelf spelen. Waarom doe je dat? Op sluwe wijze
heb ik de vraag weer bij jouzelf teruggebracht. Wel, het gebeurt.
Dus ik denk dat we uiteindelijk niet een 'Waarom?' vraag
kunnen stellen, we kunnen ons verder alleen geleidelijk beperken
van die wereld van opinies en alleen nog maar leven, aanvankelijk
in, en daarna als, de wereld van feiten, van waarnemingen. En
van de dingen niet meer good or bad maken.
En uiteindelijk is ook dat nog niet het laatste woord. Het laatste
woord is dat, wat al die feiten gemeen hebben. Dat waarin waken
en dromen komen en gaan, en wat zelf overblijft.
|