Nog meer vrije wil
uit diverse bronnen

Zoals altijd leek het thema een uitnodiging van het bestaan, want waar we ook waren, wat we ook hoorden, zagen, lazen, het bleek steeds te sporen met ONS thema. Het leukste was opnieuw de ontdekking dat alles en iedereen naar hetzelfde verwijst in zoveel verschillende vormen. Een greep uit wat ons toeviel: Ramana Maharshi, Marcel Messing, Nathan Gill, uit de Upanishads, Karel Odink, Hans Faverey.


Ramana Maharshi

'Degenen die discussies voeren over wat uiteindelijk de doorslag geeft: lotsbestemming of vrije wil, hebben geen weet van de Bron van zowel lot als vrije wil. Zij die het Zelf kennen als de Bron van lot en vrije wil, zijn vrij van beide. Zullen zij er dan nog in verstrikt raken?'

(Ulladu Nãrpadu, vers 19 'Ramana Upanishad', samengesteld door Philip Renard. Uitg. Servire Utrecht 1999)


Marcel Messing

Alles wat naam en vorm heeft is vergankelijk, onderrichtte de Boeddha. Het vergankelijke als onvergankelijk zien, is een onjuiste visie op het bestaan en vormt de wortel van hechten en lijden. De wijsheid van de upanishads leert dat wat we werkelijk zijn allesdoorstralende helderheid is, brahman, totaalbewustzijn, Dát licht in Licht; Soham (Hij ben ik), zegt het Sanskriet, waarmee de volledige eenheid wordt uitgedrukt van atman en brahman; of: Aham Brahmasi (Ik ben brahman). Er is slechts de onverbrekelijke eenheid van totaalbewustzijn. En naar ons wezen zíjn we totaalbewustzijn dat door alle vormen heenspeelt. Eén, ondeelbaar en onnoembaar.

Vanuit het 'ik', vanuit de persoonlijkheid, willen velen van ons alles doen om een persoonlijke eeuwigheid na de dood garant te stellen. Het is een poging om het vermeende zelf te handhaven, zelfs tot in sommige zeer verfijnde bijnadood-ervaringen toe. Blijvende vrede en blijvend geluk kunnen hier niet uit voortkomen. Slechts de spiraal van worden, met daaraan verbonden hiërarchieën van het bestaan, wordt erdoor in stand gehouden. Alles wat een mens wil doen om de eeuwigheid te realiseren voor zichzelf, hoe subtiel ook, staat ver van totaalbewustzijn. Een dergelijk streven bevestigt de afgescheidenheid en is gebonden aan vergankelijke vormen.

Een van de allergrootste conditioneringen van de mens is dat hij meent een volledig vrije wil te hebben, terwijl alleen al de allerbelangrijkste levensfuncties buiten hem om geregeld worden. Zolang men meent de 'doener' te zijn, treedt onmiddellijk de wet in werking van oorzaak en gevolg, van 'zaaien en oogsten', van karma. Pas door het inzicht dat totaalbewustzijn alles doordringt, alles bestuurt, de feitelijke 'doener' is, kan doordringen dat niet 'mijn wil' geschiedt, maar 'de wil van de `Vader', van het ongrondelijke zijn. Dan is er geen verlangen meer naar een persoonlijke eeuwigheid (uitdrukking van afgescheidenheid en eigen willen), maar draagt het diepe besef dat we hier en nu, altijd, het ongrondelijke totaalbewustzijn zíjn, onsterfelijk, niet vanuit ons kleine, onbeduidende ik, maar vanuit Dát wat is. Het enige en ware 'Subject' is totaalbewustzijn, dat door alle vormen heen handelt, zonder ooit enige moeite te hoeven doen, zonder ooit vermoeid te worden, zonder ooit iets te hoeven bereiken of na te streven. In de mens kan dit Subject tot realisatie komen waardoor het 'eeuwige' leven zich onpersoonklijk als onsterfelijk manifesteert. Over dit moeiteloos handelen zegt Krishna in Bhagavad Gita tot Arjuna:

Er is niets in de drie werelden (het hele bestaan),
o Partha (zoon), dat door Mij gedaan moet worden, noch
is er iets dat door Mij bereikt zou moeten worden;
toch houd ik Mij bezig met handelen.

De 'wil van de Vader' geschiedt hoe dan ook altijd, al denken we soms van niet. Zou totaalbewustzijn zich ook maar één moment uit ons lichaam terugtrekken, dan zou zich de waarheid van 'ons' leven aandienen: een dode pop, een 'voedselpop' zoals Sri Nisargadatta het formuleerde.

(Uit: 'De laatsten zullen de eersten zijn – over de parabels van Jezus'.
Auteur: Marcel Messing, uitgeverij Altamira-Becht 2001).


Vrije wil en keuze
(ofwel wil je een bruin konijn of een wit konijn?)

Jij-Bewustzijn, die verschijnt als de personages in je levensspel hebt als deel van het spel geen vrije wil, slechts ogenschijnlijke vrije-wil.
Voor vrije-wil is er een afgescheiden entiteit nodig om het spel ten uitvoer te brengen en iets daarbuiten om mee te spelen, maar jij-Bewustzijn bent hier de enige.
Jij komt op als alle personages in je levensspel en je hebt hun ogenschijnlijke vrije-wil onderdeel gemaakt van je spel.
Aangezien Jij-Bewustzijn hier de enige bent, kan alleen Jij-Bewustzijn vrije-wil hebben. Zonder jouw spel is er niets behalve jijzelf dat 'vrije-wil' zou kunnen toepassen. Jouw spel als de personages, is de enige plek waar vrije-wil kan opduiken om zich te manifesteren, maar je personages bestaan niet buiten je en dus is vrije-wil slechts schijn.
Vrije-wil wordt gebruikt door de personages die in jouw levensspel hun rollen spelen. Vrije-wil komt uitsluitend op als onderdeel van het spel. In werkelijkheid bestaat er geen vrije-wil.
Als dit helder gezien wordt, betekent dat nog niet dat de zogenaamde vrije-wil of het maken van keuzes uit het leven van de persoon verdwijnt. Het lijkt alsof degene die dit in alle helderheid gezien heeft een chocoladebiskwietje of een puddinkje kiest, of als huisdier een wit of een bruin konijn. Wie in helderheid leeft weet dat er geen keuze is, ook al lijkt het nog steeds dat er een keuze wordt gemaakt.

Uit 'Clarity' van Nathan Gill (vertaling Belle Bruins)


Je bent wat je diepe, bezielende wens is.
Zoals je wens is, zal je wil zijn.
Zoals je wil is, zullen je daden zijn.
Zoals je daden zijn, zal je lot zijn.

Brihadaranyaka Upanishad IV.4.5


meisje in café

we weten nu zo zoetjesaan wel
dit brengt ons geen geluk
maar waarom zit er dan vanmiddag
aan die andere tafel zo'n godvergeten lekker stuk

Karel Odink


Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid
te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.
Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

Hans Faverey
Uit: Het ontbrokene (uitg. Bezig Bij, 1990)