Eigenlijk.....
Gesprek met Wolter Keers in Gent, 25 april 1973.

Als we kijken naar de oude klassieke teksten, zien we telkens weer hoe de grote leiders van de mensheid zich steeds bezighouden met het abc van het leven en zelden met het xyz. Ik meen ook dat wanneer we kans willen maken op een gelukkig leven, we steeds terug moeten keren tot dit abc en ons dan geregeld moeten afvragen: niet wat wil ik, maar wat wil ik eigenlijk? We zouden liever geregeld moeten kijken naar wat er nú en op dit ogenblik gebeurt dan ons verdiepen in allerlei ingewikkelde theorieën.

Wanneer wij gelukkig willen worden, zullen we steeds weer moeten kijken naar wat er nú op dit ogenblik gebeurt: nu, als we hier zijn; nu, als we straks thuis zijn; nu, als we aan het werk zijn; nu, als wij met vakantie zijn, enzovoort. Als we scherp opletten, tekent zich steeds duidelijker de omtrek af van de gevangenis die we zelf opbouwen of opgebouwd hebben: er gebeurt iets dat ons aanstaat en meteen hollen we die richting uit; wij investeren een geweldige hoeveelheid energie om te veroveren wat wij aangenaam vinden. Er gebeurt iets of er dreigt iets te gebeuren dat wij onaangenaam vinden, daar komt een weerstand op, een reactie en terstond investeren wij alle energie om de reactie aan te wakkeren en van een, in het eerste ogenblik onpersoonlijke reactie te maken: 'ik' ben bang, 'ik' ben woedend, enzovoort. Op die manier zijn wij slaven, lakeien, marionetten van allerlei reacties die in het verleden zijn aangekweekt. Wij liggen aan de ketting van het verleden en zolang wij die reacties blijven voeden, blijven wij ongelukkig.

In het algemeen weigeren we dat te zien. Als we ongelukkig zijn, is dat de schuld van onze ouders, onze huwelijkspartner, onze kinderen, onze chef; het is niet onze schuld, wij bedoelen alles goed. En wij zien volkomen voorbij aan het feit dat wij onszelf kwetsbaar maken door te investeren in de reacties van het lichaam en van de psychische automatismen die ooit, toen wij misschien nog klein waren, een of ander nuttig doel gediend hebben, maar die nu net zo bij ons passen als babykleren.

(animatie: Foekje Detmar)
Wat wil ik eigenlijk?
Misschien word ik 70 of 80 of 90 jaar oud; als ik dan terugkijk, wat wil ik dan kunnen zeggen? Ik heb mijn leven verknoeid en vergooid, doorgebracht in angst, doorgebracht met ruziemaken, doorgebracht met het achternahollen van allerlei dingen die eigenlijk, eigenlijk, niet belangrijk waren? Ik heb pas een boek gelezen over een nieuwe vorm van psychotherapie die in Amerika is ontwikkeld en daarin zegt een van de mensen die deze therapie ondergaat: 'De neurose is alles te doen wat je maar kunt om te behouden wat je beslist niet wilt hebben.' Dit is een belangrijk deel van ons leven; wij vechten, soms met hand en tand, voor wat we eigenlijk niet willen hebben, voor ons egoïsme, voor het handhaven van de persoonlijkheid.

Wat wil ik eigenlijk?
Eigenlijk wil ik gelukkig zijn. Eigenlijk wil ik liefhebben. Eigenlijk wil ik steeds terugkeren tot die toestand die ik gekend heb en waarin ik de warmte zelf was, waarin alle beperkingen verdwenen waren en waarin de wereld goed was om in te leven. Maar we zijn veranderd — teruggekeerd tot het oude egoïsme. Toen we alle dingen lieten vallen ten behoeve van de liefde, was de wereld een paradijs. Maar uit gewoonte zijn we teruggekeerd naar de kooi, naar de gevangenis, naar wat de Duitsers noemen: 'du sollst und du sollst nicht', de categorische imperatief: dit moet je, dat mag je niet. Wij zijn teruggekeerd tot: dat wil ik en dat wil ik niet. Je kunt maar een ding tegelijk: je kunt niet tegelijkertijd egoïst zijn en liefhebben. We moeten kiezen. Egoïstische liefde is alleen te vinden in droog water en in de vierkante cirkel.

Wat wil ik eigenlijk?
Eigenlijk wil ik de Vrijheid Zelf. Dat is iets heel anders dan bandeloosheid. De Vrijheid is die onbeperktheid die er was toen de Liefde er was, toen ik alles opzij zette, alles achterliet, toen alles oploste in die ene ervaring. Waarom ben ik daar niet gebleven? Waarom ben ik weer teruggekeerd naar mijn angsten, naar mijn vastklampen aan situaties, aan personen, aan mijn bankrekening, aan mijn werk, aan mijn dit, aan mijn dat? Het antwoord kan alleen luiden: omdat ik gek ben. We moeten heel duidelijk inzien dat we dat zijn. We moeten heel duidelijk inzien, dat zolang wij het geluk zoeken op een manier, waarvan we feilloos zeker, niet 99,9 maar 100% zeker kunnen weten dat het zo niet te vinden is, we dan gek zijn. We moeten heel duidelijk zien dat we, wanneer wij proberen Vrijheid te vinden door in een kooi te gaan wonen, gek zijn.
Het is niet erg om gek te zijn, maar wel dom om gek te blijven. Deze gekheid komt voort uit onze opvoeding die we allemaal gekregen hebben en waarbij ons geleerd werd: jij bent dit, jij bent dat, jij bent duizend-en-een dingen; hoewel de mensen die ons dat vertelden echt zelf ook best wisten dat ze EEN zijn. Maar ook zij kijken te ver. Zij kijken naar de spijlen, naar de schijnveiligheid. Zij zien zichzelf over het hoofd en klampen zich vast aan allerlei schijn-ikken. Het leven van onze opvoeding werd vaak bepaald door plichten en die zijn nooit een vervangmiddel voor liefde. Het is allemaal plicht: God eiste een heleboel plichten en het vaderland eiste een heleboel plichten en wat er dan nog over was, waren nog meer plichten, je moest ... voor de school, de familie, de buren, de kerk, enzovoort. Het is een goede manier om langzaam dood te gaan. 'Ja maar,' zegt iemand die een dergelijk standpunt inneemt: 'Ja maar, je kunt toch niet met je armen over elkaar in de stoel gaan zitten?' Nee, maar die weg ga je wel als je zo leeft. En daar bereid je wel je kinderen op voor als je ze zo opvoedt. Want leven zonder liefde is verlammend.
Kinderen — en onder ons gezegd, volwassenen — die goed worden opgevoed, dat wil zeggen die telkens weer worden meegenomen naar de diepste warmte in zichzelf, ontdekken dat op de bodem van hun wezen de enige werkelijke veiligheid ligt die ons nooit kan worden afgenomen en zij zijn in staat hun spijlen los te laten, hun verdediging op te geven. Wanneer dit gebeurt, worden zij spontaan. Iemand die gelukkig is, zit niet lui met zijn armen over elkaar in zijn stoel. Niet dat hij niet stil kan zijn, maar iemand die gelukkig is zit vol energie, werkt met plezier... die gaat met anderen om met plezier: die straalt uit.
Liefde en geluk zijn centrifugale eigenschappen, uitstralende eigenschappen. Angsten, egoïsme, hebzucht, verdediging, vastgrijpen zijn centripetale eigenschappen. Vandaar de krampen in ons lichaam: allemaal angsten en verdedigingen. En als we op een of andere manier, onverschillig of dat nu via een filosofisch inzicht gaat of via het hart, wanneer wij op een of andere manier in staat zijn onze verdediging los te laten, dan pas kan de kramp in het lichaam ook verdwijnen. Dan wordt het centripetale, het krampende, het naar binnen trekkende weer centrifugaal. Dan voelen we dat we niet meer log en zwaar zijn, maar dat we licht worden. 'Hij danste over de straat van plezier', zo'n zinnetje kunnen we in menig boek vinden. Hij danste, hij was licht. Dat is wat we zoeken, dat licht zijn. Maar om dat geluk iedere dag te krijgen — en al onze activiteiten willen ons daar eigenlijk naartoe leiden — wenden wij alle middelen aan die dat geluk onmogelijk maken, zo zeker als de nacht volgt op de dag en weer op de nacht. Het egoïsme is per definitie een werkwijze, een handelwijze, een perspectief dat altijd naast zijn doel schiet. Maar om dat te zien moet je goed leren kijken.

U hebt misschien wel eens een flinke ruzie met uw man of vrouw gehad en misschien hadden beiden gelijk; dat gebeurt vaak in een ruzie, of beiden hadden ongelijk, maar u was de sterkere en u hebt het de ander eens flink gezegd, u heeft het hem of haar eens goed ingepeperd. En na afloop voelde u zich een hele piet. Op dat ogenblik weet je, als je een stap dieper in jezelf kijkt, dat die overwinning een schijn-overwinning is. Als je een ander eens ongezouten lekker de waarheid vertelt, op dat ogenblik lijd jezelf de nederlaag, op dat ogenblik is het beste in je bedekt met een laag beton. Op dat ogenblik, met andere woorden, pleeg je verraad aan het diepste in jezelf. Dat is een voorbeeld uit tienduizenden, iedereen kent het uit zijn eigen leven. Telkens als we energie investeren, voeding geven aan disharmonie, als we ons vastklampen aan dingen en eisen stellen, bouwen we aan de muur tussen onszelf en de ander.
Wie terugkeert tot de diepe Ervaring van deze onbeperkte warmte, die wij de liefde noemen, weet dat er geen muren mogelijk zijn. Die ervaring, die 'toestand' als je wilt, manifesteert zich en kan zich pas manifesteren wanneer, in elk geval voor een ogenblik, alle muren verdwenen zijn. De mens is in staat lief te hebben met een intensiteit die bepaald wordt door de laagte van zijn muren. Hoe hoger de muren, hoe sterker de verdedigingen, hoe minder ik kan liefhebben. Als wij heel scherp kijken en als ons afvragen 'wat wil ik eigenlijk?', geloof ik dat we daar in de diepte maar één verlangen vinden: alles te geven wat wij hebben, alles te geven wat wij zijn zonder enige terughouding. Pas wanneer ik alles gegeven heb, alles wat ik heb en wat ik ben, is het geluk volkomen.

Er is een klassiek beeld, ondermeer uit het Nieuwe Testament, dat zegt: 'Als de graankorrel niet sterft, brengt hij geen vrucht voort'. Als ik werkelijk eerlijk ben en diep in mezelf kijk is dát wat ik wil: sterven; dat wil zeggen alles geven wat ik ben, alles. Al gevende ontdek je steeds meer en dan zeg je: neem dat ook, dat laat ik ook achter. Dat is inderdaad een soort sterven. Liefde is een soort zelfmoord. Het is geen oppervlakkige zaak. Mensen die flirtend van de een naar de ander en als vlinders van de ene bloem naar de andere gaan, komen zelden tot deze ervaring.
Toen ik in India kwam ontmoette ik daar Ramana Maharshi. En daar, voor het eerst in mijn leven, zag ik de Liefde die daar op een stoel zat, die bijna letterlijk straalde als de zon. Door deze Tegenwoordigheid kon ik dagenlang niets anders doen dan over alles wat er in mij opkwam te zeggen: neem dat ook; pak mij alles af. De liefde van deze man ging als laserstralen door je heen en alles wat daar niet volkomen mee in harmonie was, stak af. Dan zei je: alstublieft, neem mij dat ook af.
Ik herinner me dat Jean Klein eens de volgende vergelijking gaf: de meeste mensen gaan naar een guru toe om daar iets te krijgen. Ze hebben het gevoel dat ze, geestelijk gesproken, naar een driesterren- restaurant gaan en nu zullen ze een hele goede maaltijd krijgen. Maar ze zijn vol verbazing wanneer, in plaats van dat er heerlijke spijzen worden opgediend, de chef met een groot mes komt en uw maag er uithaalt, hij haalt uw zakken leeg, hij kleedt u uit en hij gaat door tot er niets meer over is. Zo gaat het bij een guru. Hebben we hier niet de maatstaf? Geef ik, laat ik los, los ik alles op in de Liefde of ben ik aan het innen, sta ik aan de kassa, bereken ik, houd ik de kooi op slot? Daar hoef je toch echt geen groot psycholoog voor te zijn, daar hoef je geen groot filosoof voor te zijn. Wij hadden voor de oorlog een werkster die geen enkele opleiding had gehad na de lagere school: zij heeft mij toen al — ik was een of jaar 14, 15 — deze dingen uitgelegd. Begrijpt u, daar hoef je niet voor gestudeerd te hebben, daar hoef je niet oud en wijs voor te zijn, een kind kan het begrijpen.
Wel, hier ligt het: deze kant of die kant. De muur opbouwen of de muur afbreken. De keus is heel eenvoudig. 'Ja, maar...', zodra de woorden 'ja maar!' komen, bouwen we op — die woorden horen bij de kant van de angst. Men zou eigenlijk iedere avond tien tellen moeten kijken: ben ik vandaag tenminste een gram lichter geworden? Heb ik vandaag iets losgelaten? Is er een angst die ik onder ogen heb durven zien? Een bezit dat ik naast mij heb neergezet? Of ben ik vandaag zwaarder geworden, zijn mijn zakken voller? Heb ik mijn reacties gevoed? Heb ik mijn persoonlijkheid verdedigd? Heb ik afstand genomen, geconstateerd of heb ik mijn angsten, verlangens en eisen gevoed?

Wat wil ik eigenlijk?
Dat is het a van het abc. Dat zijn de vragen die erop aan komen: wat wil ik eigenlijk en wat ben ik eigenlijk? Wat weet ik eigenlijk?
De liefde is misschien de mooiste weg. Ik wil niet zeggen de gemakkelijkste weg. Ik weet niet of er een weg is die de gemakkelijkste weg is. Maar het is in zoverre de mooiste weg dat je niet door een crisis hoeft, omdat, als je de liefde weer toelaat, je hart openspat en de liefde weer je hele wezen doorstroomt, je hoofd, je hele lichaam en daarna je huis en je werkplek. Dat loslaten is een feest; het is een weg naar de Vrijheid die gaat als met een eenparig versnelde beweging. Als je de dingen laat oplossen in de Ene Liefde die je wezenlijk bent, in het diepst van je zijn, dan is dat de eerste keer het moeilijkste omdat je het niet gewend bent; de tweede keer gaat het al gemakkelijker.

Wat wil ik eigenlijk?
Wil ik in een kooi blijven wonen of wil ik de blauwe hemel zijn? Doen alsof dit te moeilijk is, of te gevaarlijk of zeggen dat dit eigenlijk in de maatschappij niet kan en 'wat zullen de buren wel zeggen', is niet intelligent. Problemen niet onder ogen durven zien, is domweg een gebrek aan intelligentie. Want als ik leef alsof ik anders ben dan wat ik eigenlijk ben, kan ik nooit gelukkig zijn, dan straf ik mijzelf op de meest afschuwelijke manier. Waaraan heb ik dat verdiend? Als je bij hele goede vrienden komt, waar je echt van houdt, zeg je: hier kan ik mezelf zijn. In liefde en harmonie met mezelf.
Wil ik mezelf zijn, dan kan dat alleen als ik begin met te accepteren. Te accepteren dat er een oneindig aantal mogelijkheden in mij liggen, slechte en goede, mooie en kwade, zoals in ieder mens. Zolang ik dat niet accepteer word ik niet gelukkig. Zolang ik alleen wil zien wat mijn ego vleit en weiger te kijken naar wat mijn ego vernederend vindt, word ik niet vrij. Zolang wij doen 'alsof', zijn we dom, tonen we gebrek aan intelligentie. Misschien is er een zekere moed voor nodig, maar waar heb je meer moed voor nodig: om af en toe een paar uur flink te zijn of om nog 40 of 50 of 60 jaar door te zeulen, als een karrenpaard?
Alweer in de bijbel staat: de waarheid zal u vrij maken. Zolang wij leven alsof we iemand anders zijn dan we zijn, liggen wij aan zware kettingen. Zolang wij doen alsof wij een plaatje zijn, een meneer of een mevrouw met die en die voornamelijk goede, of voornamelijk slechte eigenschappen, lig ik aan de ketting. Dan ga ik het plaatje verdedigen; ik word boos bij alles wat het plaatje niet vleit; ik accepteer alleen wat het plaatje wel vleit. En ik ben, met andere woorden volmaakt afhankelijk van mijn omgeving. Ik ben een marionet van mijn omgeving en een slaaf van allerlei reacties die in het verleden in mij zijn geplant en die daarna wortel hebben geschoten.

Wat wil ik eigenlijk?
Ik geloof dat slaaf zijn van iemand anders ook een weg kan zijn. Maar dan moet je echt helemaal slaaf zijn. Als je slaaf kunt zijn, maar in de perfectie, waarbij je zegt: het lichaam is van u, alles, ik bezit niets meer, dan kom je eigenlijk uit in diezelfde situatie als van de Liefde; dan bezit je ook niets meer. Maar het is niet eenvoudig om zo ver in de perfectie slaaf te zijn. Ik geloof dat het gemakkelijker is om de weg van de Liefde te volgen. Maar we moeten nooit slaaf zijn en ons laten ringeloren door de gevoelens die er maar in ons believen op te komen.
Als ik scherp kijk, zie ik dat wanneer er dingen gebeuren die mijn ego niet aanstaan, of dingen die mijn ego vleien, er dan een reactie opkomt. Die reactie op zichzelf is nog geen ketting, maar het ogenblik dat de reactie als een 'ik'gezien wordt: 'ik' ben bang, boos, 'ik' eis, verlang naar of hol achter iets aan — dan zitten we in de kooi. Als we in plaats daarvan eenvoudig constateren: daar is die en die reactie, dan is het niet eens nodig om na te gaan, zoals in de psychologie, of die reactie te wijten is aan het feit dat grootmoeder mij als baby heeft laten vallen. Nee: daar is op dit ogenblik die reactie. En ik ben niet een reactie; een reactie is iets dat komt en gaat. En ik ben iets dat blijft. Dus, 'ik' ben niet een reactie. Te zeggen dat 'ik' bang ben, is dus een pure leugen. Te zeggen dat 'ik' kwaad ben, is een pure leugen. Ik ben de waarnemer van een reactie die angst of kwaadheid is, verlangen is, gevleid zijn is, enzovoort. Het is alleen door daar een ik-gevoel aan vast te knopen dat we ons afhankelijk houden van wat er maar belieft op te komen. Als onze 'buurman' een beetje geraffineerd is, weet hij precies hoe hij ons over de kin kan strelen om de juiste reacties voort te brengen; dan kan hij met ons doen wat hij wil. Zo lopen we achter allerlei banieren aan tegen het kapitalisme of tegen het communisme, of voor Vietnam of tegen Vietnam of wat u maar wilt; niet omdat wij werkelijk weten wat wij doen — want heel weinig van die mensen die zo demonstreren weten dat — maar omdat wij gemanipuleerd worden, en kunnen worden, doordat we bang zijn.
Zolang wij bang zijn, kan de maatschappij met ons doen wat zij wil, kan onze omgeving met ons doen wat zij wil. Wij zijn dan niet alleen marionetten van die reacties maar bovendien nog de marionetten van onze omgeving en de maatschappij. Dat is de schrille tegenstelling van die toestand die wij kennen; die toestand van door niets beperkt Licht, door niets beperkte warmte, toen wij eigenlijk iedere boom in het bos konden omhelzen. Als we het zo stellen kan er toch nauwelijks sprake zijn van een keuze tussen liefde of egoïsme? Het komen tot Vrijheid is tenslotte niets anders dan steeds weer loslaten, van inzien dat mijn veiligheid echt niet ligt in mijn bankrekening of in macht of iets anders. In de wereld is er niets dat wezenlijk veilig is. De enige wezenlijke Veiligheid ligt in dat wat men mij niet kan afpakken, en dat is in mijzelf.
Vrijheid is natuurlijk nooit vrijheid voor de persoonlijkheid. Ik heb straks al gezegd: Vrijheid is niet hetzelfde als bandeloosheid. Vrijheid is niet het najagen waar je maar zin in hebt omdat lekker alles mag. Dat is, dacht ik, juist de kooi. Vrijheid is: onafhankelijk zijn van al die dingen. Vrijheid is niet alweer vrijheid voor, maar van het egoïsme, vrijheid van de persoonlijkheid.
Ik geloof dat het absoluut noodzakelijk is, al is het maar één minuut per dag, om een ogenblik naar de diepste diepte in mijzelf te kijken, te zien wat 'ik' wezenlijk ben, wat 'ik' wezenlijk wil. Want: wat ik wezenlijk wil is wat ik wezenlijk ben. Waar houd je meer van: van jezelf of van de Liefde? Als ik diep in mijzelf kijk, blijkt dat een onmogelijke keus, want mijn diepste zelf is Liefde. Alleen in die Liefde ben ik mijzelf. Liefde en ikzelf zijn uiteindelijk, daar in die diepte, aan de bron van het Leven, twee woorden die hetzelfde aanduiden. En daarom is werkelijk

Leven alleen maar leven vanuit die Bron en niet vanuit allerlei verschansingen, niet vanuit al mijn zoeken naar compensaties — uiteraard, het woord zegt het al. Wanneer ik die Bron verlaat, wanneer ik ga leven vanuit een persoonlijkheid, vanuit een denkbeeld, vanuit gevoelens, vanuit angsten, vanuit frustraties, dan kom ik er nooit. Het Engels kent uitdrukking: 'More never ends'— aan meer komt nooit een eind. Na de ene compensatie hollen we onmiddellijk weer, op zoek maar iets anders. Maar wanneer wij het diepste in onszelf toestaan om als het ware weer warm te worden en als wijzelf weer, als ik het zo mag zeggen, wakker worden die diepte in, met behulp van alle voorhanden zijnde hulpmiddelen: door ons min of meer te herinneren hoe het was toen die Liefde er was; door te zien dat 'ik' niet al die dingen ben die ik verdedig en door te zien dat die verdediging de muur in stand houdt in plaats van die warmte de vrije loop te laten — dan kan het niet anders of die muur begint te wankelen.

In de hindoemythologie was er eens een reus en telkens wanneer die reus iemand de kop afhakte kreeg hij de kracht van zijn verslagen vijand erbij en dus werd hij tenslotte zo sterk dat geen mens hem meer kon verslaan en dat hij geleidelijkaan de goden durfde uit te dagen. De rest van het verhaal is niet zo interessant, maar wat er symbolisch mee bedoeld wordt, is dat iedere overwinning, ieder inzicht, ieder loslaten van een angst, van een begeerte de kant van de Bron versterkt — de kracht, de energie erbij geeft die eerst geïnvesteerd was in de afweer. Zo wordt de kant van de afweer steeds zwakker en de kant van de Bron steeds sterker, tot op een gegeven ogenblik de hele muur wordt weggevaagd. Dan komen we blijvend in die toestand die wij allemaal hebben meegemaakt en waarvan wij allemaal ogenblikkelijk zeggen: ja, dat is wat ik eigenlijk wil.

Wat wil ik eigenlijk?
Als ik mij daar maar even in verdiep is het volmaakt duidelijk. Iedere keer als ik mij daar niet aan houd, als ik mijn muren opbouw, als ik mijn klauwen uitsla, als ik een compensatie achternahol, als ik een schijn-overwinning behaal, pleeg ik verraad, misschien aan anderen maar het ergste is dat ik verraad pleeg aan mijn diepste Zelf, aan dat wat ik eigenlijk wil en dat wat ik eigenlijk ben.
Shakespeare zegt ergens in Hamlet: 'Dit boven alles: wees trouw aan je echte, aan je eigen Zelf. En daaruit moet voortvloeien zoals de nacht op de dag volgt, dat je nooit slecht kunt zijn jegens je medemens'. Dat is de juiste volgorde. Als we leven vanuit de Liefde die wij zijn, als wij gewoon maar onszelf zijn, in de diepste zin van het woord en leven vanuit de Bron, dan is de rest vanzelf in orde. Iedere keer dat wij dat niet doen, steken wij een mes in onze eigen ribben — zelfs als we denken dat het de ribben zijn van iemand anders.
Bij het zoeken naar ons diepste zelf mogen we niets aanvaarden op gezag. Het is van belang dat wij alles wat hier te berde wordt gebracht in onszelf verifiëren: is het waar of is het niet waar? Het is net zoals met eten: niemand anders kan voor u eten. En hier ook: als het voor u een theorie zou zijn die u uit het hoofd leert, is dat volkomen nutteloos, dan kunt u veel beter leren schaken of vioolles nemen of iets anders doen. Dan helpt het ons niet. Alles wat u zelf ziet en wat u in uzelf herkent, bevrijdt. Een theorie is enkel ballast.

In de pauze zijn er een paar vragen aangesneden, één naar aanleiding van een van die zinnetjes op de middenbladzijden van 'Yoga en Vedanta': 'Iets wat ergens uit voortkomt kan niets anders zijn dan dat waaruit het voortkomt'. Ik geloof dat het u intussen duidelijk is geworden?

Vraagsteller: Ja.

W.K.: En de illusie dan?

De illusie is een gedachte!

Als je de illusie kunt zien als verkeerd geziene waarheid, als Licht, verkeerd geïnterpreteerd, maar toch als Licht, dan verdwijnt de illusie. Het gebeurt wel eens dat iemand opeens ontdekt dat haat verwrongen liefde is: 'Ik had zo graag van je gehouden, maar het is op een of andere manier mislukt en nu haat ik je.' Maar die haat is eigenlijk vervormde liefde. Bij die ontdekking kan de haat verdwijnen en dan komt de liefde terug. Zo is het ook hiermee: als je ziet dat zelfs de illusie niets anders is dan Licht zelf, verdwijnt de illusie. En dat is de bedoeling van die tekst.

Wat ik wel eigenaardig vind, is dat je ziet dat op den duur alles van alles gaat houden. Dan is er eenvoudig geen onderscheid meer tussen of je een mens of de natuur of een dier tegenkomt; je hebt er heel eenvoudig niets meer tegen. Maar er zijn andere mensen die dat erg vervelend vinden, die zich daardoor gestoord voelen.

Er zijn mensen die denken dat je hen wilt misbruiken, als je van hen houdt. Het komt nogal eens voor dat kinderen fel gewaarschuwd worden tegen seksualiteit. Zulke meisjes vinden alle mannen beesten, omdat ze verband zien tussen de mannen en de beestachtige seksualiteit in zichzelf. Jongens worden vaak precies zo vervormd. Als een normale jongen van zo'n meisje gaat houden, dan voelt zij: 'hij' wil mij misbruiken. Zo gaat het dan. Zo wordt liefde gezien als iets dat met liefde niets te maken heeft. Je ziet de dingen inderdaad altijd op je eigen niveau, je ziet niet wat er werkelijk gebeurt, je ziet in dit geval niet dat iemand van je houdt. Je maakt van wat werkelijk liefde is, beestachtigheid. Dus als iemand zich verstoord voelt omdat jij een groot hart hebt, heeft die persoon problemen! Maar daar kunnen we niets aan doen. Wat wij dan wel kunnen doen is natuurlijk die persoon uitleggen dat ik weliswaar van hem of haar houd, maar dat dit niet wil zeggen dat ik hem of haar wil bezitten en beheersen of naar mij toe wil lokken. Integendeel, ik wil juist niets. Maar we moeten begrijpen wat liefde is.

De grote verwarring ontstaat altijd omdat men met het woord liefde twee dingen bedoelt of meer nog, drie, vier dingen. We bedoelen daarmee: bepaalde gevoelens, gevoelens van warmte die we in verband brengen met een persoon of met een situatie, met muziek: ik houd van Schubert, ik houd van mijn broer, ik houd van iemand in een liefdesrelatie, in een seksuele relatie. Maar daar hebben we het in eerste instantie toch over een gevoel. In die Liefde, die volkomen Vrijheid is, gaat het niet over een gevoel. De liefde die zich bijvoorbeeld in een huwelijkspartner helemaal wil en probeert te verliezen, begint als een gevoel, maar als een gevoel dat zichzelf ontstijgt; het is een gevoel dat je meeneemt de ruimte in, de warmte in en daar is de partner verdwenen, daar is alles opgelost, dan blijft alleen nog de Liefde zelf. Daar is geen A die van B houdt en B die van A houdt; A en B zijn helemaal verdwenen en daar is alleen het ene onbegrensde. Deze liefde brengt de visie met zich mee dat dit ding (lichaam) en dat ding (ander lichaam) en dat ding en dat ding, allemaal manifestaties zijn van dat wat Ikzelf ben. In die zin is er dus geen enkele voorkeur, geen preferentie; in die zin staat niemand nader tot je dan een ander.

Liefde, uiteindelijk, is iets dat ons nooit verlaat, het is een ander woord voor wetendheid, voor eeuwig tegenwoordig zijn. Het is niet iets dat een begin en een einde heeft. Het gevoel 'liefde' is een van de poorten naar die Liefde zelf. Het is dus duidelijk dat deze onbeperkte Liefde nooit iets of iemand kan of wil bezitten. Hoe zou het kunnen: het is alsof mijn rechterhand mijn linkerhand wil bezitten. Dat heeft geen zin, het is onzin, in liefde is geen eigenaar. Als de liefde iets bezit, is dat het heelal; alles of niets, beide kun je zeggen maar niet een stukje, je kunt Jezelf niet in stukjes verdelen. Je bent de liefde in de ander. De Guru die je meeneemt naar de Waarheid, naar de Vrijheid, naar de Liefde is de Liefde zelf, die je bent en die spreekt tegen de Liefde zelf die je bent. Aanvankelijk zie je hem of haar als een meneer of mevrouw, omdat je jezelf ziet als een meneer of een mevrouw.

Je ontdekt dat in iedereen, maar als je niet meer reageert op de aanvallen van anderen, denken die waarschijnlijk dat je verwaand bent of onverschillig of zelfs gek.

Men denkt: die persoon is onverschillig geworden. Dat is het helemaal niet. Onverschilligheid is afgeslotenheid, afweer. Dit is net het tegenovergestelde. Maar wij zijn zo gewend te vechten voor onze belangen, voor onze muur, voor onze kooi, dat we, als iemand gelukkig is, kwaad worden en zeggen dat het egoïstisch is. Maar wat doet hij zelf, degene die dat zegt? Hij zoekt precies hetzelfde, alleen hij weet niet hoe hij het kan vinden. Hij denkt dat hij vrij kan worden door zijn kooi te versterken. Het ogenblik dat hij ontdekt dat een ego nooit gelukkig kan worden, houdt hij ook op met vechten en dan krijgt hij hetzelfde probleem met zijn omgeving. Ik geloof dat we allemaal een periode hebben waarin anderen zeggen: 'Je ego verliezen is heel egoïstisch — jullie werken altijd alleen maar aan jezelf.' Maar op een gegeven moment kan het niet anders of ze beginnen te ontdekken dat er iets nieuws gekomen is, iets waar je niet zo gemakkelijk de vinger op kunt leggen maar iets dat meer waarde heeft dan wat er vroeger was, iets waar ze zich toch meer toe aangetrokken voelen dan tot wat er vroeger was. Dan zie je soms dat het begrip opeens begint te dagen.
Wij zijn erg bang voor de Vrijheid. Wij zijn opgevoed tot slaaf. Eerst door onze ouders: wij moesten niet worden wat wij zelf zijn, wij moesten worden wat papa en mama vonden dat wij moesten worden; die hadden de voorstelling dat een keurig kind er zo en zo uit moest zien... en zo en zo moet je dan worden. Zo hebben we geleerd een rol te spelen, niet te zijn wat we zijn. Daar begint elke neurose. Zo zijn we opgegroeid, het ene harnas over het andere. En nu opeens wordt ons de Vrijheid aangeboden. Dat schrikt ons af — we vrezen dat we heel alleen het onbekende tegemoet gaan.

De angst voor de Vrijheid. Men moet een papa hebben. Er is een heel interessant boek van Fromm, u moet het eens lezen: 'De angst voor de vrijheid', het gaat grotendeels over het probleem van de verschillende naties. Stuk voor stuk kiezen allerlei volkeren dictatoriale presidenten. Men wil een vader hebben; men denkt in de termen van het gezin met de vader die leiding geeft, die voor je denkt, voor je besluit en over je waakt. En zo is het met ons: wij willen geen vrijheid, wij zijn daar bang voor. Dat moeten we onder ogen zien. We vinden vrijheid griezelig. Wat moet ik dan doen? We vinden het zelfs, als we een beetje neurotisch zijn, soms angstig om onze problemen kwijt te raken, want wat moet ik zonder mijn problemen doen? Er is een psychiatrisch grapje in Nederland: Ik ben zo blij dat ik niet van spinazie houd, want als ik van spinazie hield dan zou ik spinazie moeten eten en ik houd niet van spinazie.

Dat is de ene knoop: de angst voor de genezing, want als ik genees moet ik allerlei dingen doen waar ik geen zin in heb. De patiënt ziet niet dat als hij genezen is die dingen helemaal niet erg zijn, dat je die vanzelf doet; dat het helemaal geen bergen zijn maar molshopen. Dat zijn dingen die we allemaal tegenkomen, want iets daarvan hebben we allemaal. Op een gegeven moment ben je bang genezen te worden, bang om je muren af te breken, want ik voel me zo veilig achter die muur. Wie voelt zich veilig achter die muur? Die muur voelt zich veilig. In feite is er niet iemand achter die muur. Natuurlijk is het andersom: die muur is de onveiligheid. Waarom ben je onveilig? Omdat je een muur hebt opgetrokken voor je omgeving. Als je één bent met je omgeving is onveiligheid onbestaanbaar.

Wilt u een duidelijk voorbeeld? De angst zelf. Wat is een angst? Een angst is een mechanisme dat moet verhinderen dat wij ongelukkig worden. Als het kleine kind bij de kachel zit zeg je: Pas op, dat doet pijn! Zo kweek je een angst om te beletten dat het kind de kachel aanraakt. Dus die angst is een nuttige angst. Maar nu ga ik dat transplanteren. Ik ben bang voor jou, ik ben bang dat dit mij afgepikt zal worden, ik ben bang dat ik dat moet doen, enzovoort. De angst die alleen maar dient om te zorgen dat ik niet ongelukkig word, dat ik mijn vingers niet brand, wordt nu gebruikt als geneesmiddel. Maar dat is erger dan de kwaal. De angst is de ergste ziekte geworden. Is helemaal geen geneesmiddel meer. De angst zelf is de ziekte. Het kan heel ver gaan. Ik heb iemand meegemaakt die mij probeerde uit te leggen wat hij had: het was niet alleen angst voor de angst, maar hij had angst voor de angst voor de angst voor de angst! Laten we het maar niet gaan uitrekenen. Er is angst, laten we het daar maar bij laten. Die angst verdwijnt als ik steeds weer constateer: daar is een angstgevoel. En dat is wat we willen: het verdwijnen van de angst — niet het cultiveren van angst voor angst. Ik geloof dat als je vanavond met mij meegekeken hebt, dat het dan volmaakt duidelijk is wat we eigenlijk willen. Ieder mens weet diep in zijn hart wat hij eigenlijk wil. Wel, laten we dan ook al die schuttingen waar wij achter zitten in het vuur gooien van de liefde die wij zijn en die wij eigenlijk willen.

Ik geloof dat de gedachte 'nu' voor mij het grootste probleem is; ik blijf die aanzien voor een soort kenner.

Ja, dat is uiterst belangrijk. We moeten voorkomen een kenner in het denken te projecteren. Eerst zit er in je hoofd een denker en als die verdwijnt zit er in je hoofd een kenner; maar dat is niet de echte kenner. Als je in de Kenner een persoonlijkheid projecteert, probeer dan liever te zien dat een gedachte niets anders is dan Bewustzijn, als dat niet die geur van persoonlijkheid heeft. Zie het als niets dan Bewustzijn, Kennendheid.

Als je eigenlijk nooit problemen meer hebt, maar toch nog in de illusie leeft... wat zou dat zijn?

In uw geval lijkt het me een begin van de leegte waar we het vaak over gehad hebben. Ieder mens weet: Ik ben Een. Dat is een centraal onontkoombaar intuïtief weten. Rondom dit middelpunt heb ik allemaal ikjes gepoot, van ik-als-kind tot en met ik-als-grijsaard, ik-als-dit, ik-als-dat, hele muren van afweer. Ik leef niet als het ware middelpunt 'Ik ben die Ik ben', maar ik leef nu als een in een rol geprojecteerd tijdelijk ik. Op een gegeven dag ga ik dat zien en ik zie dat die ikken niet werkelijk Ik zijn, dat het allemaal rollen zijn die verschijnen en verdwijnen, een aantal in de wakende toestand en een ander aantal in de droom; maar Ik ben niet een 'ik' dat komt en gaat. Ik ben altijd Tegenwoordig.

Nu verdwijnen geleidelijkaan al die ik-gevoelentjes. En dan komt er een periode waarin wij eigenlijk vrij probleemloos zijn: er zijn geen grote moeilijkheden. Je leeft in een soort afwachtende houding. Dat is de Leegte van het Niet-Weten die zich aankondigt. Zolang er nog een spoor is van een idee dat ik een meneer ben die ..... en de rest kunnen we invullen — is die leegte niet volledig. Maar op een gegeven moment komen we tot een helemaal volmaakt Niet-Weten: de persoonlijkheid weet helemaal niets. Net zo weinig als die stoel.

Wat Jean Klein bedoelt met: Je ne sais pas?

Ja, precies hetzelfde, 'ik' als persoonlijkheid weet niet meer dan die tafel; 'ik' als persoonlijkheid ben object van het Kennen, precies zoals de tafel object is van het Kennen. Op dat ogenblik dat de Leegte op allerlei manieren volkomen is, openbaart zich het Licht, het Weten. Maar dit is erg schematisch gesproken. Het is volkomen waar wat ik zeg: van de ene seconde op de andere verandert de Leegte in de Volte. Maar het is ook waar wanneer ik zeg dat het geleidelijk gaat. Onwetendheid, misverstanden, het verkeerde kijken verdwijnt stukje bij beetje. Mijn angsten moeten verdwijnen, de een na de andere, en iedere keer word ik wat lichter. Ik word gevoeliger dan tevoren, mijn lichaam wordt gevoeliger, ik ben niet meer geblokkeerd, enzovoort. Zo gaat het geleidelijk verder tot alles transparant wordt en de leegte volkomen is.

(gepubliceerd met toestemming van Uitgeverij De Driehoek)