Liefde is (er) altijd, overal, schaamteloos.

Hoe verbeeld je nu zoiets? Het meest dichtbij kwam ik met het beeld van een handschoen. Zie de handschoen dan even als beeld voor de Liefde en de hand als ego.

De hand wringt zich in de handschoen en probeert zich naar de handschoen te voegen of wil dat de handschoen zich naar de hand voegt. Wat de hand ook doet en ongeacht wat deze van de handschoen vindt, de handschoen volgt de hand schaamteloos.

Als je je schikt in dat onvoorwaardelijk Er-zijn, past de handschoen als een tweede huid. De afscheiding (tussen hand en handschoen) verdwijnt, de hand wordt de handschoen en andersom. Je kan het ook vergelijken met de kunstenaar die één wordt met z'n schilderij, de muzikant met z'n instrument of compositie, de ambachtsman met z'n object. Als die schijnbare binnenwereld (hand plus handschoen) op diezelfde wijze één wordt met de buitenwereld, vervalt ook daar het verschil tussen binnen en buiten. Liefde herenigt zich.

Die handschoen blijkt dan gegoten uit Liefde voor Liefde.

[Kees Schreuders]