Bhakti Yoga: de kunst van het liefhebben
Wolter Keers
(uit Yoga Advaita, gepubliceerd met toestemming van uitgeverij de Driehoek)

Liefde en weten hebben gemeen dat ze een soort zelfmoord zijn. Willen we ooit tot wezenlijke liefde komen, dan dienen we dit eerst met ons hele wezen te begrijpen. Liefde en weten beginnen beide — althans zo schijnt het — in dualiteit: hier ben ik, daar is de geliefde: A houdt van B en B houdt van A. Maar wanneer we geleidelijk aan scherper leren kijken, ontdekken we dat we ons hebben vergist. In de liefdeservaring zijn A en B verdwenen en geheel opgelost in één Ervaren, dat de liefde zelf is.

Een speciale moeilijkheid ligt in het feit dat we met liefde, met dat woord, twee dingen bedoelen: allereerst een gevoel en wel het diepste gevoel dat we kennen en dat, ook in psychische zin, aan de basis van ons leven moet liggen, willen we als sociale wezens goed kunnen functioneren. Wie als zuigeling geen moeder had die hem knuffelde, die later liedjes voor hem zong en hem troostte als hij zich pijn had gedaan, krijgt het in 't leven waarschijnlijk heel wat moeilijker dan de anderen. En wie het tragische lot trof dat hij ouders had die hem haatten, groeit op tot schizofreen of misdadiger — tenminste, die mogelijkheid ligt vlakbij.
Liefde als gevoel heeft telkens een begin en een eind. Maar deze liefde is een heel bijzonder gevoel, omdat het zichzelf ontstijgt. Net als de gedachte 'ík' ons lichaam, zintuigen, denken en voelen mee kan nemen naar dat wat wezenlijk het éne, onherleidbare IK is, kan de liefde ons meenemen van het object naar de volkomen eenheid waarin noch object, noch subject te vinden is: jij en ik zijn daar één — niet als persoonlijkheid maar als die éne Ervaring die tijdloos is en vormloos, groter dan het grootste. In de dualiteit is geen eenheid: twee lichamen worden nooit één, twee persoonlijkheden worden nooit één. Eenheid is daar, in die liefde waar we tijd en ruimte achter ons hebben gelaten.
En die liefde is de liefde in de andere betekenis van het woord. Dat is de liefde die in de bijbel en andere heilige boeken en tradities wordt bedoeld, wanneer er wordt gezegd dat God liefde is. God is geen gevoel, maar onveranderlijk, het Licht van het licht, de Liefde van de liefde: dat is de betekenis van de uitspraak 'ik ben het licht der wereld'. Deze tweede liefde, voorbij tijd en ruimte, kunnen we nooit kennen als object, als een 'het', als iets dat wordt of kan worden waargenomen door iets of iemand anders. Want buiten die oneindigheid is er niets en bovendien is er in die liefde niemand over om nog iets te constateren, waar te nemen of te concluderen. Men kent de liefde enkel door haar te zijn, zoals de zee de natheid kent door haar te zijn: de zee kan niet buiten de natheid gaan staan om zich er een oordeel over te vormen...... de zee, water, is natheid.

De kunst van het liefhebben bestaat erin te komen van die eerste liefde tot de tweede, waarin geen spoor van dualiteit, van tweeheid meer valt te bekennen.
Zo gezien is de liefde misschien de mooiste weg om te komen tot wat wij zelfrealisatie noemen. Want wanneer wij deze weg bewust gaan, geleid door het onderscheid tussen 'ik' en 'niet-ik', leidt de weg van den beginne aan door de rijkste brongebieden van ons bestaan. Wat immers is de natuur van het gevoel dat we liefde noemen? Zich te geven. Ik hoef maar verliefd te zijn en ik zit al niet meer op de troon van mijn ego, maar alle aandacht, ook en vooral die van het hart, is gericht op de ander. En dat alleen is genoeg om de wereld te doen veranderen: het gras is groener, de hemel is blauwer en Schuberts bergbeek bruist onstuimiger dan ooit tevoren. Denken en voelen worden als een kussen opgeschud en het lichaam reageert spontaan en enthousiast — we vergeten onszelf. We zeggen in zo'n geval dat we buiten onszelf zijn van vreugde, waarmee we niet bedoelen dat we werkelijk buiten onszelf zijn — dat is uiteraard onmogelijk — maar we zijn mijlen groter dan dat wat we in vroeger dagen voor onszelf aanzagen en als 'ik' voelden.

De tragedie van de meeste liefdesrelaties is dat dit horizon-wijde ervaren geleidelijk aan, of zelfs met een klap, verdwijnt en geleidelijk aan ontstaat er op zijn best een relatie waarin we elkaar in huis tegenkomen en waarin we voor elkaar worden tot zoiets als delen van het meubilair dat er nu eenmaal bij hoort en dat we misschien zelfs wel graag zien, maar waaruit elk element van inspiratie is verdwenen. In het ergste geval wordt de liefde verdrongen door het leven als hond en kat en ontstaat de hel van het ruzie-huwelijk: iets ergers kan een mens nauwelijks overkomen. Waar is het nu scheef gegaan? Hoe kon dit, zo hoort men menigeen vragen, nu juist mij overkomen? Alle grote en belangrijke waarheden zijn eenvoudige en voor de hand liggende waarheden, zo ook hier. Als we goed gekeken hadden kon het niet anders dan duidelijk zijn dat toen de liefde ons doorstroomde, het ego en zijn zelfzuchtigheid verdwenen waren, terwijl later het slagveld door dit ego werd beheerst: we gingen onze eisen stellen, onze rechten verdedigen, beschuldigen, enzovoort. Kortom: we gedroegen ons alsof ons ego, onze persoonlijkheid, recht had op de liefde van de ander.... we zochten liefde voor het ego, voor de persoonlijkheid. We wilden, om beter te kunnen drinken, de kurk wat vaster op de fles drukken. En toen er langere tijd geen wijn uitkwam en de kurk muurvast op de fles was gedrukt, gingen we er zelf maar bovenop zitten.
Maar liefde is nooit aan de kassa staan: liefde is een soort zelfmoord. Dit is niet iets nieuws — dit is iets dat we zo duidelijk kunnen zien als de zon op een wolkenloze zomermiddag. Maar zo zeer zitten we vastgeroest in onze oude gewoonten, dat we weigeren goed te kijken en dat we al onze oude spelletjes weer uit de kast halen en ons weer opstellen als het kleine kind dat moeilijkheden had met zijn vader of moeder en dat nu de problematiek met vader of moeder gaat uitvechten met de arme huwelijkspartner. Is dat nodig? Moet het beslist misgaan omdat we nu eenmaal mensen zin en geen engelen? Voor wie een keer duidelijk begrepen heeft hoe het perspectief werkelijk ligt, zal er misschien vallen en opstaan zijn, maar mis hoeft het niet te gaan wanneer beide partners van goeden wille zijn. We hebben een partner gevonden en we hebben ons bij hem of haar gevoegd omdat we bij het samenzijn ons egoïsme verloren — omdat de liefde alles wegvaagde wat ons enkele maanden eerder aan de ketting legde. En onze ervaring is dan ook, dat de kettingen zijn weggevallen en dat ons hart de wereld omvat: zouden we niet elke boom in het bos willen omhelzen, zouden we ons niet naakt van de bergtoppen in de lucht willen verheffen om te vliegen als adelaars.... de wereldliteratuur staat er vol van.
Wil een liefdesrelatie niet alleen niet mislukken maar wil zij haar doel bereiken, zo er van een doel sprake kan zijn, dan moeten wij de omgekeerde weg bewandelen. Om te komen van de eerste liefde — het stralende gevoel — tot de tweede, waar we geheel in het licht zijn opgelost, dan moeten de partners voor elkaar kunnen dienen als altaar waarop men alles kan geven wat men heeft en wat men is..... en wanneer de liefde er is, vragen wij ook niet anders. Wie liefheeft wordt overspoeld door de drang om alles te geven wat hij heeft en is, nóg meer, nóg meer. Het is deze drang die de natuur van de liefde zelf is, die het onderscheid bepaalt tussen echte en namaakliefde. Ook al gaat men met honderd mannen of vrouwen door de gebaren der liefde, dit alles blijft namaak zolang er niet die onvoorwaardelijke drang is om zich geheel te geven: geven is de ware aard van de liefde. Wie denkt aan een nachtje vol plezier blijft buiten de liefde staan, ook al gaat hij tien keer door de gebaren. Wie klaar staat om te incasseren blijft buiten de liefde staan.

Kan er dan nog een moeilijkheid overblijven?

In principe niet, maar in de praktijk wel. Want er gaat tijd overheen voordat we weten dat dat woord 'alles' inhoudt. In de bijbel wordt gezegd dat men door een nauwe poort heen moet en dat het voor een rijke (en dat zijn we allen) moeilijker is om in het koninkrijk der hemelen binnen te gaan dan voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen. We kunnen niet tegelijk naakt zijn en gekleed. We kunnen, met andere woorden, niet tegelijk niets weten en vol oude standpunten zitten. We kunnen niet tegelijk liefhebben en aan de kassa staan, of onszelf op welke wijze dan ook proberen te handhaven. En daartoe moeten we heel welbewust bereid zijn tot volledige overgave. Dat is geen ethisch verhaal: het is een bijna zakelijk constateren, immers zolang ik mijzelf probeer te handhaven, blijft mijn zwaartepunt beperkt binnen de omheining van de een of andere verdediging en zolang ik beperkt ben, kan ik niet onbeperkt zijn. Het alles wat wij los moeten laten houdt niet alleen de vereenzelviging in met allerlei lichamen in de wakende toestand en in de droom maar ook het neerleggen op het altaar van onze angsten, onze verdringingen, onze neiging om veiligheid te zoeken waar het niet kan bestaan (zoals in de relatie met de geliefde!), onze standpunten, ons hele ik-gevoel, kortom de hele wereld. Maar in de allereerste plaats dat deel van de wereld dat ik mijn ik-gevoel noem en dat ik projecteer op allerlei dingen en situaties. Zolang wij jaloers zijn, willen bezitten, de ander naar onze hand willen zetten of zelfs eisen dat de ander zich geheel aan ons geeft, staan wij buiten de liefde, wat voor slimme argumenten wij ook mogen verzinnen om onze drang tot compenseren te intellectualiseren.

Maar wij zijn geen engelen? Wij leven niet 'jenseits von Gut und Böse'? Dit soort argumenten toont uitsluitend een gebrek aan ernst. Wie problemen in zichzelf voelt opkomen behoeft die niet te voeden, laat staan aan te wakkeren tot een storm. Zodra er een fout gemaakt wordt laat die zich voelen. Zodra er spanningen ontstaan is dat duidelijk. Dan kan men twee dingen doen: ofwel op de uitnodiging van het ego ingaan, van de persoonlijkheid, het rechtsgevoel, de levensverzekering enzovoort. Of wel men kan zich enkele ogenblikken terugtrekken in stilte en zich afvragen, niet wat men geneigd is nu, op korte termijn te incasseren maar wat ik (men?) eigenlijk wil, en op de lange termijn. Dat is de terugkeer naar het wereldwijde hart dat de schepping omvat. Daartoe kan men vrijwel onmiddellijk terugkeren: men kan zich weer de beelden voor ogen halen van hoe het dán is. En in de volledige ontspanning die met dit perspectief gepaard gaat, wordt het duidelijk dat de eisen die ik enkele minuten of uren geleden stelde, spijkers waren die mij zouden hebben vastgenageld op wat ik niet echt wil (wat ons doet denken aan een van de uitspraken van Janov's patiënt — uit onze boekbespreking juni 1973 — die zegt: De neurose is alles doen om te behouden wat je niet wilt hebben). Het niet-neurotische gedrag met andere woorden, is te kijken naar wat ik wezenlijk en uiteindelijk zoek. Dat is die Ervaring die als een alles verbrandend vuur oplaait zodra ik geef en tracht alles te geven wat zich op dit ogenblik komt vertonen als mijn bezit — en met name al mijn afhankelijkheden, al mijn identificaties met lichaam, zintuiglijkheid, denken en voelen, met al mijn standpunten, mijn angsten en al het andere dat ik in het verleden heb opgebouwd om mijn denkbeeldige persoonlijkheid in stand te houden en te verdedigen.

Wanneer we onszelf telkens weer geven in alle totaliteit van dat ogenblik op het altaar dat de ander voor ons is geworden, kan het niet anders of onze kettingen smelten en vallen aan stukken uiteen. Telkens weer zullen we de verrassende ervaring opdoen: nog maar enkele maanden geleden zag ik hier tegenop en was ik daar bang van..... nu is het allemaal verdwenen. Totdat ik wezenlijk wakker word en ontdek dat ik vrij ben. Vermoedelijk zal dit alles, wanneer twee mensen elkaar diep liefhebben, een weg van het hart zijn die leidt van de ene vreugde naar de andere: want op deze manier is een zich-oplossen in wat het ego niets noemt een kruistocht door het paradijs. Wie de smaak te pakken krijgt van het laten vallen van de verdedigingen verliest zijn angsten om zich te geven en om geëxploiteerd te worden, gewond te worden, onbegrepen te zijn enzovoort. Elk loslaten van een schijnveiligheid die de verdediging ons biedt, betekent een overwinning — precies het omgekeerde van de ketting die zwaarder wordt na elke schijnoverwinning in een ruzie.

Of dit geheel zonder leermeester kan, is een tweede. In theorie is er geen doorslaggevende reden aan te wijzen waarom wij op deze weg van het hart, bhakti, een leermeester onverbiddelijk nodig zouden hebben. In de praktijk echter blijkt dat dit zonder uitzondering voor ieder mens nodig is. Ook op de weg van bhakti loopt men vast zonder leermeester. De leermeester is bij definitie de liefde zelf — wat wij in dit artikel noemden de tweede liefde, voorbij denken en voelen, voorbij tijd en ruimte. De liefde van een dergelijke, uiterst zeldzame, leermeester is groter dan het diepste gevoel dat wij kennen en kunnen kennen zolang er in ons nog sporen van dualiteit aanwezig zijn. Bij degene die wezenlijk zoekt naar het verliezen van zichzelf zal waarschijnlijk het ogenblik komen waarop hij er naar verlangt zichzelf neer te leggen en achter te laten aan de voeten van de liefde zelf, dat wil zeggen, van de guru die men als zodanig heeft gevonden en herkend. In hem is geen egoïsme meer en je weet, met feilloze zekerheid, dat hij alleen de veiligheid zelf is omdat er geen ego in hem is dat jou op welke wijze dan ook zou willen exploiteren: dat hij de veiligheid is omdat hij is wat je wezenlijk zoekt. Wanneer je, alles achterlatende, kleiner en kleiner wordt, totdat er één enkel punt overblijft, vind je in hem degene die je meeneemt door het oog van de naald, ver voorbij alle angst en berekening.
De uiteindelijke realisatie van het diepste Ikzelf, voorbij tijd en ruimte, eist de eenheid van hoofd en hart. Sommigen komen aan met bagage die allereerst een oplossing via het hoofd vereist, anderen zijn eerder mensen van het hart, maar beide zijn nodig. Zodra men het uiteindelijke perspectief begrijpt en ziet dat het Ik die ervaring is die hart en hoofd (en alle andere dingen) gemeen hebben, leeft men uit een standpunt dat noch hoofd noch hart is, maar waarvan die twee manifestaties zijn. Het beslissende inzicht is gekomen. Rest enkel nog wat obstakels uit de weg te ruimen: wat dingen te onderkennen die wij ten onrechte 'ik' noemen. De weg via het hoofd is, als men er ernst mee maakt, direct. Maar voor wie de weg van het hart kan volgen, is de weg van het hoofd moeizaam en lang. Is het hart niet de motor, de krachtbron van ons bestaan? Sri Kishna Menon zei eens: 'Het hart doet moeiteloos en in enkele tellen waar het hoofd soms jaren voor nodig heeft. Zoals het begrijpen dat de hele schepping en ikzelf 'vertalingen' zijn van één, universele, ondeelbare liefde. Die is wat ik soms bij jouw naam noem en soms bij de mijne.'


Liefde kan niet gegeven worden
Naar een gesprek met Wolter Keers in Gent op 18 januari 1978. (Eerder verschenen in Yoga Advaita, maart 1978).

Vraag: En de liefde?

W.K.: Ik heb gisteravond een bijeenkomst gehad met een groep psychiaters en psychologen. Daar heb ik de stelling verdedigd dat er maar één psychisch probleem is en ook maar één psychisch obstakel en dat je de hele psychologie en psychotherapie en de hele psychiatrie tot dat ene probleem en dat ene obstakel kunt herleiden. Dat ene probleem is dat wij uit het oog verloren hebben dat wij zelf liefde zijn. Ons is verteld, toen wij klein waren, dat wij liefde kregen van onze moeder en onze vader, enzovoort. En toen het later, misschien op allerlei punten misging, hebben wij ontdekt dat wij niet genoeg liefde hadden gekregen. En zo wordt liefde voor ons als een zak met aardappelen die je kunt geven en die je kunt krijgen in een grote zak en een kleine zak en dergelijke.
Dat heeft met liefde niets te maken. Wat wij wezenlijk zijn is dit nederigste van alle nederige dingen, dat waarin alle dingen verschijnen. Dat is het licht zelf. Niets is gewoner, gemener, alledaagser dan dat licht; daarbuiten hebben wij nooit iets gekend. Liefde is het ontdekken van mijzelf (het licht) in de ander; de herkenning van de Stilte die ik ben in de ander. Dat is liefde. Liefde kun je niemand geven, liefde kun je niet ontvangen; je kunt water geen natheid geven, want water is natheid. Niemand kan je ook liefde geven, niemand kan van je liefde ontvangen, je kunt alleen in jou liefde herkennen en jij kunt in anderen liefde herkennen. Het ogenblik dat het gebeurt zijn er natuurlijk geen anderen meer, want je herkent inderdaad, in de meest letterlijke zin, let wel, in de meest letterlijke zin: jezelf. Ik spreek nooit tegen iemand anders dan tegen mijzelf; en je hoort nooit iets anders dan jezelf. Ik kan niet genoeg onderstrepen hoe letterlijk dit waar is. Liefde is jezelf te herkennen in de ander, in dat wat je tot op dat ogenblik, ten onrechte, aanzag voor 'een ander'. Maar het is jezelf die je daar ziet, want er is maar één Zelf. Er is maar één licht, er is maar één liefde. Die herkenning van jezelf in de ander, van de Stilte die je bent in de ander, van het licht wat je bent in de ander, dat is wat wij liefde noemen.Het is niet een kwestie van geven, niet een kwestie van ontvangen, maar het is een kwestie van herkennen.

Het is wel waar dat wanneer die herkenning plaatsheeft er bij ons een omkering van beweging ontstaat. Wanneer ik het niet herkend heb, dan heb ik een rekenmachine staan en dan vind ik jou aardig of niet aardig; dan kan ik geld aan jou verdienen of niet, dan zul jij vriendelijke woorden tegen mij zeggen of zul jij mij lastig vallen, enzovoort. Dan wordt alles berekend met een middelpuntgerichte mentaliteit. Maar op het ogenblik dat ik mijzelf herken in de ander, die dan geen 'ander' meer is, want ik spreek tegen mijzelf achter die ogen, op dat ogenblik wordt die middelpuntgerichte beweging een middelpuntvliedende beweging. Je hoeft maar één keer van je leven verliefd geweest te zijn en je weet dat je zo groot bent als het heelal.
Een obstakel is de angst. En elke angst is een angst voor liefdeverlies. Ik ben bang om mij te laten zien zoals ik ben want dan zullen jullie denken dat ik gek ben of slecht ben, of noem maar op. En daar is dan de muur: daar is 'ik' hier en de ander daar. Ik ben bang dat ik van de ander de liefde zal verliezen. Zie je, wanneer ik denk dat Liefde iets is dat ik kan bezitten, dan ben ik bang dat ik haar zal verliezen. Maar het ogenblik dat ik met mijn hele wezen gezien heb dat Ik Liefde ben, wat dan? Water kan nooit natheid verliezen, water is natheid; je kunt liefde niet verliezen want je bent liefde. Wel, dat te doorzien lost stuk voor stuk alle angsten op; angst voor de dood wordt dan een belachelijkheid. Dan kun je ook in psychologische zin helemaal jezelf zijn; je kunt je afweer helemaal laten vallen, want wat anderen van jou denken dat is hun probleem; 'jij' bent dat wat de anderen zoeken. En als zij een denkbeeld op jou projecteren dan is dat omdat zij op zichzelf ook een denkbeeld projecteren; zij zien zichzelf aan voor een persoonlijkheid en daarom zien ze alle levende wezens aan voor persoonlijkheden en navenant.

Zolang ik mij opstel als iets wat ik niet ben, namelijk als iets dat Liefde zou kunnen bezitten, als iets dat naar Liefde zoekt, zolang ben ik onderworpen aan de wetten van angst en verlangen. En waar angst en verlangen is, is lijden en karma en het hele verhaal. Zodra ik zie wat Ik ben, valt deze hele schijnwereld in duigen. Het ogenblik dat ik dit herken — altijd onverwacht — vindt er zoiets als een heel subtiele explosie plaats en blijkt deze materiële wereld niets anders te zijn dan een droom, precies zoals de droom 's nachts; er is werkelijk geen enkel verschil; beide zijn niets anders dan bewegingen in het Bewustzijn en die beweging die er op een gegeven ogenblik is, wordt door mij aangezien voor echt — overdag is het de wakende toestand, de wereld, in de eerste plaats van het tastzintuig en 's nachts de droomwereld, die dan even reëel voor mij is als nu de wakende wereld. Maar kijk ik vanuit die Ervaring die de wakende toestand en de droom gemeen hebben, dan zie ik dat ze beide niets anders zijn dan bewegingen in dat Ene Bewustzijn dat Ik altijd geweest ben. Ik hoef er niets voor te doen om het te worden want ik ben het. Ik ben die Ene Ervaring. In alles en iedereen, in elke beweging ben ik deze Ene Ervaring.

Wanneer dit een geleefde Ervaring wordt dan is er geen psychische angst meer mogelijk; dan is er wel pijn, maar geen lijden meer mogelijk. Ik herken Dat in alle mensen, ik herken Dat als mijzelf in alle mensen, en omdat ik weet, als geleefde Ervaring — niet als theorie — dat er niets anders is dan liefde houd ik van alle mensen, want ook door de ogen van de schizofreen of de misdadiger of wie dan ook kijk ik Mijzelf aan.
We hadden het vorige keer over het beeld van het water en de golven: eerst denken wij dat we allemaal een golf zijn en dat de buurgolf een concurrent is; dan, op een gegeven moment, ontdekken we: ik ben water en die buurgolf is ook water, en hoe meer wij onze aandacht op het water richten hoe duidelijker het wordt, totdat we helemaal in de diepte zitten waar niets anders dan water is. Dan zien wij dat wij dat éne water zijn in al die golven en dat door die golven het water met zichzelf spreekt.
In godsdienstige termen: dit Licht is wat godsdienstige mensen God noemen. Wij zijn dat Licht, ieder van ons bestaat uit niets anders dan het Licht. Elke grote traditie en godsdienst zegt het: dat God alomtegenwoordigheid is en Licht en Liefde is. Niet alleen het christendom maar alle grote godsdiensten zeggen dat op de een of andere manier. Met andere woorden: Jan spreekt niet met Piet, maar God spreekt met Zichzelf, door de een en door de ander.

Als dit gezien is en vervolgens alle oude ballast aan ideeën, zoals 'ik ben een ding van zoveel kilo' of 'ik ben allerlei voorstellingen' verdwenen is, dan blijft dit over als enige geleefde Ervaring. Dat is wat men Verlichting of Vrijheid noemt. Het is nooit iets nieuws. Het is Dat wat je ook nu bent en wat je altijd geweest bent. En wie zegt dat hij je dit kan geven, is een oplichter.