De bomen
- Douwe Tiemersma -

‘Toen ik kind was’, waren de bomen geen bomen, maar de woonplaats van de wind en van vogels, en de schaduw waar het zonlicht doorheen speelde.
Toen ik volwassen werd, waren de bomen dingen met hout- en bastvaten, schors en groene bladeren, de bron van zuurstof voor mens en dier.
‘Toen ging ik op zoek’ en de bomen werden mezelf; mijn bladeren ritselden en mijn takken waaiden in de wind. Ook verschrompelden zij tot een afstandelijk plaatje in de ruimte van mijn bewust-zijn.
‘Nu’ zijn bomen dit alles tegelijk: magische wezens, harde materie, identiek aan mij, een voorstelling, idee … niets, en overeenkomstig daarmee heb ook ik deze aspecten. Elke uitspraak over bomen en over mij is door zijn eenzijdigheid fout, maar alles kan erover worden gezegd.

Met een kind praat ik over kabouters in een holle boomstam, met volwassenen over het mechanisme van de koolzuurassimilatie, met zoekers over het zelf boom-zijn en over de boom als geprojecteerd beeld. De Openheid is dit alles tegelijkertijd, terwijl er Openheid blijft. Dit is onuitsprekelijk.

[Douwe Tiemersma]