De kunst van het nederig te zijn
- Wolter Keers
-

(uit Yoga Advaita, gepubliceerd met toestemming van uitgeverij de Driehoek)


(foto's: Johan van der Kooij)

Wanneer allerlei godsdiensten ons in alle talen proberen duidelijk te maken dat nederigheid en eenvoud ‘Gode welgevallig zijn’, gaat het uiteindelijk niet om een moreel verhaal, maar om een bijna technische kwestie.
Nederigheid is niet iets dat men rechtstreeks kan nastreven zoals men met een pijl kan mikken op een roos, maar nederigheid is een gevolg, dat door degene die haar bereikt heeft – beter gezegd: die haar ontdekt heeft – niet gevoeld wordt als een karaktereigenschap, maar als inzicht in de feitelijkheid.
Nederigheid is het diepe inzicht dat ik niets weet...... en dit in de meest letterlijke zin. Er is noch binnen dit vel, noch daarbuiten ook maar één man, één vrouw of één God te vinden die iets weet.
Laten we met dit laatste beginnen.
God, zo vertelt ons elke hogere godsdienst, is alwetend. Dit is de omgekeerde formulering van hetzelfde feit: dat hij niets weet.
Als we dit duidelijk moeten maken kunnen we misschien in eerste instantie proberen beelden te gebruiken die juister zijn dan onze oude voorstellingen, maar die we niettemin op een gegeven ogenblik ook weer achter moeten laten, want geen beeld, hoe groots en geraffineerd ook, kan omvatten wat godsdienstige mensen ‘Gods werkelijkheid’ noemen. Tegen een humanist zou men kunnen zeggen: Geen mens kan ooit de hele natuur begrijpen, want hij is zelf een deeltje van de natuur. Maar begrijpt de natuur iets?
Alwetendheid heeft negen van de elf letters gemeen met het woord dat we al dikwijls hebben gebruikt: wetendheid, synoniem van ‘kennendheid’. Alleen zetten de schrijvers van de heilige boeken er ‘al’ voor: alwetendheid, en waarom niet: alkennendheid.
Die Alkennendheid die God is, is tegelijk Alomtegenwoordigheid.
Tezamen geeft dit ons de voorstelling van ‘het heelal vol wetendheid’.

Mensen die zich niet de moeite getroost hebben hun kinderlijke voorstellingen te ontgroeien, stellen zich ‘god’ voor zo ongeveer als iemand die Alle encyclopedieën van de Hele Wereld Uit Het Hoofd Kent. Dat kunnen ze ook niet anders, want we zien de dingen, inclusief wat men ‘God’ noemt, op ons eigen niveau. En omdat we denken dat iemand, een mens, die heel veel weet iemand is die bijvoorbeeld een tiende encyclopedie uit zijn hoofd kent, vermenigvuldigen we dit idee met zoveel als ons voorstellingsvermogen maar toestaat en dan krijgen we als uitkomst het plaatje dat we ‘God’ noemen.

God ‘kent’ niet alleen alle encyclopedieën, maar ook mijn intiemste gedachten en gevoelens. Hij kent de moleculen, de atomen, ja de binnenkant van de atomen waaruit dit – en elk ander lichaam – is opgebouwd.
Maar kent hij die op de manier waarop wij op school na enige inspanning onze aardrijkskundeles kenden?
Alomtegenwoordige Wetendheid zit in de binnenkant van het atoom en aan de buitenkant en in dat wat eventueel een binnenkant van een buitenkant scheidt. In (al)wetendheid smelten binnen en buiten samen, want van het ‘standpunt’ van de Wetendheid uit is alles wetendheid. Als God alomtegenwoordigheid is, is er niets buiten die: alomtegenwoordigheid gaat dwars door alle dingen heen.

God, met andere woorden, kent alleen zichzelf, want buiten dat is er niets, hoezeer ook allerlei theologieën worstelen met dit probleem dat tot de verwrongendste stellingen heeft geleid; want hoe moeten wij het verklaren dat er niets buiten dit éne bestaat en dat er niettemin duisternis is, althans van menselijk standpunt uit gezien? (Want wat zij in het dagelijkse leven realiteit noemen is het Menselijke Standpunt... en in feite komt dat altijd neer op Mijn Redelijke Standpunt).
In elk geval moeten er dus twee standpunten zijn: Gods standpunt en het mijne. Van het oneindig-wetende uit gezien is er niets buiten dit oneindig-wetende en omdat daar niets buiten is, kan het oneindig-wetende dat dan ook niet kennen. En wat ‘binnen’ het oneindig-wetende is, is dit oneindig-wetende en dat kan het oneindig-wetende dus ook niet kennen: het kan nooit buiten zichzelf gaan staan (waar zou het heen moeten?) of ophouden oneindig te zijn om daardoor kennis te nemen van het eindige.
Te zeggen dat ‘God’ alwetend is, komt dus op precies hetzelfde neer als wanneer we zeggen dat ‘God’ niets weet, omdat er niets buiten deze Alkennendheid bestaat dat deze zou kunnen kennen.

En de mens?
De mens heeft – is het niet beter te zeggen: is – dat andere standpunt. De mens denkt dat hij iets weet, want dat heeft hij zo geleerd. Hij heeft van zichzelf een plaatje gemaakt (beter: er is een plaatje gegroeid dat hij ‘ik' noemt en een deel van dat plaatje noemt hij ‘mijn denken’. Van dat denken meent hij dat het allerlei dingen kent.
De fundamentele schok die hem uit deze schijnwetendheid wakker doet worden slaat hem als in stukken; het ogenblik waarop het diepe inzicht zich openbaart dat dit denken – deze gedachten – zelf niets kennen, maar dat ze daarentegen zelf object zijn van het kennen; beter: dat een gedachte een object is dat zich vormt in en uit deze steeds tegenwoordige Kennendheid, en met name ook dat de ik-gedachte, en het ik-gevoel, dat in allerlei zaken geprojecteerd werd (ik ben dit lichaam, ik ben deze denker, enzovoort) niet meer is dan zo’n object.

Ik weet niets, ik weet niets, ik weet niets ....... Als een mantra dat zichzelf herhaalt blijft dit ene, schokkende, alles omverwerpende, alles met zich meeslepende inzicht over.
Dat is nederigheid. Dat is tegelijk ook wat sommige mensen ‘goddelijkheid' noemen.
Want op het ogenblik dat ik, tot voorbij de wortels van mijn bestaan, niets meer weet en niets meer ben, blijkt dit niets het tegengestelde te zijn van niets. Dat wat, gezien van het menselijke standpunt, niets is, blijkt een droom te zijn geweest die bestond uit niets dan Kennendheid, uit Wetendheid, uit Bewustzijn, zoals de golf bestaat uit niets dan water.
En wat er daarom overblijft bij het onderkennen van dit niets dat ik blijk te zijn, is plotseling niet niets meer, maar zuivere Tegenwoordigheid, tijdloos, Wetendheid, objectloos en zonder enige beperking van welke aard dan ook.

Wanneer dit ‘ik weet niets’ volledig is, is ook het ‘ik’ dat niets weet voorgoed verdwenen. Maar het gebeurt dikwijls dat dit diepe inzicht ‘bij iemand’ doorbreekt, maar niet zó alles met zich meeslepend dat de mogelijkheid tegelijk verdwenen is om nog op welke wijze dan ook het automatisme van ik weet, ik denk, ik voel, ik doe enzovoort onmogelijk te maken. In dat geval moeten we steeds weer tot dit ik-weet-niet terugkeren, net zo lang totdat het mechanisme is uitgeput.
Pas dan zijn we, maar nu volkomen Wetend, die éne Wetendheid die overblijft wanneer alle geprojecteerde weten, alle schijnweten, voorgoed is opgelost, als ijs in water.

Wanneer godsdiensten en moraalleren ons voorhouden dat nederigheid een na te streven eigenschap is, is dit een aanloop tot wat nederigheid werkelijk is. Want het moet toch duidelijk zijn dat nederigheid, zoals die wezenlijk is, nooit een houding of een standpunt kan zijn: nederigheid is immers de afwezigheid van een ‘wetend’ ego..... met andere woorden, zolang er nog ‘iemand’ over is, is er geen volkomen nederigheid. In nederigheid is er niet nog iemand over die nederig is. Wat wij verlichte mensen noemen is een onbewoond huis. In dat lichaam en in die psyche zit niet nog iemand die nederig is of iemand die wéét. Juist daardoor maken de woorden die via de verlichte tot ons komen op ons de diepe indruk die ze soms maken: het is alsof het heelal er achter staat, alsof hij een kosmos van overtuiging en zekerheid in zich draagt.
En dat is in zekere zin ook zo: de woorden die wij van ‘hem’ horen zijn als het ware een vertaling van die éne, ondeelbare, tijdloze eeuwig-tegenwoordige wetendheid of zijndheid waarin het heelal verschijnt en weer verdwijnt en waaruit het, zolang het zich vertoont, bestaat.
De schepping, zou men kunnen zeggen, is het lichaam van de wetendheid.

Voor zover we vroeger op die wetendheid het idee ‘groot’ projecteerden, noemden we haar ‘God’ en voor zover we op die wetendheid het idee ‘klein’ projecteerden, noemden we haar bijvoorbeeld ‘de paar vonkjes in het hart die nog over zijn van het beeld Gods, waarnaar de mens geschapen is’ (vrij naar de Heidelbergse Catechismus).

Wanneer het diepe inzicht dat ‘ik’ niets meer weet en nooit iets heb geweten of kan weten, en het inzicht dat wat wij ‘God’ noemen evenmin ooit iets weet, geweten heeft of kan weten, volledig de plaats heeft ingenomen die eerst de woonplaats van ons ego-isme was, versmelten de vonkjes in het hart met de Al-wetendheid, de kennendheid met de Al-wetendheid. Nog juister: we ontdekken dat er in feite nooit twee geweest zijn en dat we, gezien uit wat we desnoods ‘Gods standpunt’ kunnen noemen, nooit iets anders zijn geweest dan goddelijk, want God kent niets anders dan God, omdat er buiten deze niets bestaat en omdat het goddelijke de dingen uitsluitend kan kennen van zijn eigen, goddelijke ‘standpunt’.

Van het goddelijke, nooit beperkte en dus nooit veranderende ‘standpunt’ gezien, is de mens niet anders dan een weerkaatsing van deze éne, ondeelbare goddelijkheid binnen de oneindige goddelijkheid. Dit is als het ware het in-zijn in wat wij aanzien voor een min of meer losstaand mens. Maar van het goddelijke standpunt gezien is de lucht die mijn huid ‘aan de buitenkant’ streelt evenzeer goddelijkheid als wat zich toevallig op dit ogenblik binnen dit vel bevindt. (En een deel daarvan bestaat uit moleculen zuurstof en stikstof die zich enkele ogenblikken geleden nog buiten dit vel bevonden; toen waren ze niet-ik, maar zodra ze via het vel of de longen bijvoorbeeld in de hersenen zijn beland, zouden ze wel plotseling ik zijn..... volgens het gebruikte menselijk standpunt tenminste!).
Van het goddelijke standpunt bezien, is wat wij menselijke onwetendheid of zonde of ellende, of ook menselijk plezier noemen: wetendheid-op-zijn-kop-gezien, of: goddelijkheid uit een beperkt standpunt gezien.
Maar omdat we de door niets beperkte goddelijkheid uiteraard nooit uit welk standpunt dan ook kunnen zien zoals die is, heeft de menselijke visie met het goddelijke zoals die wezenlijk is, niets meer gemeen. De Wetendheid zelf wordt ogenschijnlijk in stukken gespleten en zo ontstaat het denken alias tijd en ruimte. En wat in feite uiteindelijk Het Goddelijke Ervaren Zelf is, wordt zo door de mens gevoeld, dat wil zeggen geïnterpreteerd als pijn, lijden en verdriet. Het ondeelbare wordt, in deze schijn, verdeeld in zwart en wit, in goed en kwaad, in goddelijk en duivels (en uiteraard alle aspecten die daar tussen liggen).
Maar wat de mens als fragmentarisch standpunt goed of wit of goddelijk noemt, dekt niet de werkelijkheid die onbeperkt is. Goddelijkheid, die door de vrome mens wordt gezien, is niet meer dan een projectie van zijn denken: het plaatje dat als gedachte in hem opkomt en dat hij ‘God’ noemt. Maar het is duidelijk dat wat men ‘God’ noemt in werkelijkheid geen plaatje is in het hoofd van een vrome kerkganger, noch in het hoofd van de geleerde X-oloog. Evenmin is ‘God’ een verheven gevoel in het hart van de mens die zich daaraan wil overgeven. Talloze vrome en welmenende zielen stranden halverwege omdat ze verheven gevoelens aanzien voor wat ze God noemen.
Zolang ik mijzelf aanzie voor een plaatje, een persoon, en zolang ik denk dat ik iemand ben, zolang ben ik ‘wetendheid op z’n kop’ en zolang zie ik ‘God’ als een plaatje, zelfs als ik de kinderlijke Sinterklaas-op-een-wolk ben ontgroeid.

En zolang zie ik alles ondersteboven – mijzelf, ‘God’ en de medemens. In plaats van te zien wie we voor ons hebben, zien we onze eigen projectie en naarmate die meer of minder bedreigend is, houden we minder of meer van onze naaste.
Wat geldt voor het kennen van wat de godsdienstige mens ‘God’ noemt, geldt precies zo voor het kennen van wat zij aanzien voor onze naaste. Wij zien hem en houden van hem naarmate ons ‘ik’ oplost in ‘wetendheid’ als ijs in water. Zodra wij de laatste schil van de ik-heid hebben losgelaten, daagt de eenheid met ‘God’ en met de medemens op hetzelfde ogenblik.

Dat is het ogenblik van de wezenlijke nederigheid. Zo blijken nederigheid en liefde twee woorden te zijn voor dezelfde eenheid.