Zelfrealisatie: een ballonnetje dat je cadeau krijgt bij aankoop van een paar nieuwe schoenen.

Na een spirituele zwerftocht van bijna dertig jaar kwam ik onverwachts oog in oog te staan met het Ongekende. Een ontnuchterende ontmoeting, want ik ont-dekte: ik ben het Ongekende.

Mijn spirituele zoektocht begon in de jaren zeventig toen ik Wolter Keers ontmoette. Ik was op zoek naar een hatha-yogaleraar en wist niet veel van advaita of zelfrealisatie. Verlichting was naar mijn idee voorbehouden aan yogi's in de Himalaya en middeleeuwse mystici. Wolter Keers was net gepensioneerd en besteedde veel tijd aan het redacteurschap van het tijdschrift Yoga & Vedanta. Daarnaast gaf hij lezingen over advaita en vertaalde de lezingen van Jean Klein in Nederland. Ik voelde me thuis in de rommelige studeerkamer aan de 's Gravelandseweg waar ik Wolter regelmatig ontmoette en met hem sprak over levensvragen en advaita. Ik was onder de indruk over zijn inzicht en zijn verhalen over Ramana Maharshi en Krishna Menon bij wie hij in India 'in de leer' was.

Ik voelde een diepe vriendschap voor Wolter en halverwege de jaren zeventig verhuisde ik met hem en een aantal andere 'advaita-addicts' naar Zuid-Frankrijk om er op verzoek van Jean Klein een yoga-advaita-centrum op te zetten. We huurden een groot oud spookhuis in de heuvels en hielden er seminars voor Nederlandse gasten. Wolter en Jacques Lewensztain schreven er hun eerste bladzijden van Yoga als kunst van het ontspannen.
Het was een bijzondere tijd met veel advaita en hatha-yoga. Ik begon aan een studievertaling van I Am That. Later is Wolter aan een serieuze vertaling gaan werken. Wolter hield lezingen over advaita en hield er daarnaast, om het zo maar te zeggen, een vrolijke leefstijl op na. Dat was het begin van een strijd tussen Wolter en Jacques. Wolter deed waar hij zin in had en rekende af met de samskara van vijf generaties dominees achter zich. Dat stond haaks op de leefstijl van de anderen in de 'commune', die conform de hatha-yoga gezondheid nastreefden. In de praktijk kwam het er vaak op neer dat ik bruine rijst kookte, maar dat we lekker pizza gingen eten en rode wijn drinken in het dorpscafé. Er was humor en dynamiek, maar het lukte ons niet om als groep bij elkaar te blijven. Na een half jaar waren we terug in Nederland.

Aan de samenwerking tussen Jean Klein en Wolter Keers kwam eind jaren zeventig een einde. Wolter was regelmatig een angry young man. Tijdens een van de lezingen die Jean Klein in Nederland hield stelde iemand een vraag of dieren ook verlicht konden zijn. Nog voordat Jean Klein kon antwoorden stelde Wolter voor om bij de volgende lezing een hok met konijnen neer te zetten om te kijken of ze gerealiseerd waren. En dat was te radicaal voor de gentleman Jean Klein die daarna niet meer toestond dat Wolter zijn lezingen vertaalde.

Wolter koos vanaf dat moment zijn eigen weg en verbond zich meer met de stijl van Nisargadatta die hij vaak opzocht in Bombay.
Jean Klein was in mijn ogen een authentieke goeroe. Ik smolt in zijn aanwezigheid, maar ik besefte met een teleurstelling dat zelfrealisatie bij mij nog niet had plaatsgevonden.

Ik raakte in een advaita-dip. Ik besloot om Nisargadatta in India op te zoeken in de hoop daar bevrijding te vinden. In de achterbuurt van Bombay vielen volgens Wolter Keers de zelfgerealiseerden als rijpe appels van de boom. Ik wist dat ik niet lang kon wachten, Nisargadatta had keelkanker. In de kleine kamer van Marahaj aangekomen voelde ik een diepe herkenning; hier wilde ik blijven, hier wilde ik sterven, maar de realiteit was anders, na drie dagen stuurde hij me weg, hij was onverbiddelijk, ik mocht niet meer terugkomen, 'You ask too many questions… you must come to silence'. Ik herinner me nog goed hoe bang ik voor hem was. Waarom? Ik was achtentwintig, gezond en sterk. Hij was tachtig jaar, oud en ziek, maar iets in mij wist dat deze man hetgeen in mij kon doden wat ik maar niet los kon laten. Ik schreef hem een smeekbede of ik alsjeblieft terug mocht komen, Maharaj vroeg aan een vriend van mij: 'When are you leaving Bombay? Next week? Take him with you'. Einde oefening.

Terug uit India ging ik gedesillusioneerd bij Wolter Keers te rade die zei: 'Maak je niet ongerust, het belangrijkste is al gebeurd, je stroomt mee in de rivier die vanzelf bij de oceaan uitkomt, leg niet te veel nadruk op zelfrealisatie, het is zoiets als een ballonnetje dat je cadeau krijgt bij aankoop van een paar nieuwe schoenen.'

Het was een oud verlangen van Wolter een boek te schrijven over de overeenkomsten tussen het christendom en advaita vedanta: 'Jezus en de Yogi'. Wolter vroeg mijn praktische hulp hierbij. We zouden op de eerste maandag van januari 1985 beginnen. Op die ijskoude winterochtend belde hij mij op, hij was ziek. Dat was de laatste keer dat ik hem sprak, twee uur later was hij overleden.

Met een gevoel van 'er klopt nog iets niet in mijn leven' bleef ik een aantal leraren bezoeken zoals Byron Katie, Han Stiekema, Mother Meera, Isaac Shapiro, Barry Long, Ramesh Balsekar, Tony Parsons… maar er gebeurde niets bijzonders en langzaamaan begon ik het idee op te geven om 'verlicht te raken'. Een goede vriend vroeg: 'Heb je alles gedaan wat je kon doen?' Ja, ik had genoeg goeroes gezien, voldoende boeken gelezen, advaita uitgediept, wat kon ik nog meer doen? Ik zette advaita in de koelkast. 

Op mijn tweeënveertigste voorspelde een vriendin dat mijn leven over de kop zou gaan. Ik was er stellig van overtuigd dat het mij niet zou overkomen, maar door de midlifecrisis ging alles bewegen in mijn leven. Ik verloor de interesse in mijn werk, ik lag in het ziekenhuis voor een operatie en wist niet meer wat ik wilde.
Ik koos voor transpersoonlijke psychotherapie, een synthese van spiritualiteit en psychologie. Ik raakte zo geïnteresseerd dat ik een opleiding ging volgen. Ik heb steeds rivaliteit gevoeld tussen 'de spirituelen' en 'de psychologen'. 'De psychologen' onderstrepen het belang van onderzoek naar mentale trauma's, en vinden dat 'de spirituelen' maar al te vaak hun emoties onder de mat vegen. 'De spirituelen' daarentegen vinden dat 'de psychologen' hun tijd verdoen met 'het verplaatsen van meubilair', zoals Jean Klein het fijntjes uitdrukte. Wolter Keers zei daarover: 'Als je probeert om al je problemen in dit leven op te lossen, kun je daarna beginnen met het oplossen van problemen uit je vorige leven'. Met andere woorden: als je dualistische oplossingen creëert voor dualistische problemen, dan bestaat het gevaar dat je gaat geloven in het dualistisch perspectief, met alle gevolgen vandien (bijvoorbeeld het in stand houden van een ik-geloof). Dat perspectief geeft nooit definitieve resultaten omdat je je bezighoudt met het oplossen van problemen die niet het echte probleem veroorzaken. Zoals benzine tanken in een auto waar geen motor in zit.

Helderheid

Op een ochtend in dit voorjaar dacht ik na over mijn toekomst. Ik had mijn baan opgezegd en maakte me zorgen hoe mijn leven verder zou gaan. Hoe meer ik erover nadacht, des te sterker besefte ik dat ik het gewoon niet wist. Van welke kant ik het ook bekeek, ik kon alleen maar accepteren: ik weet het niet. Elke gedachte over de toekomst was een concept, een verzinsel. Dit besef van niet-weten werd sterker, ik schrok en belandde in een mentale leegte. Ik kon niets anders doen dan die leegte accepteren en ging zitten voor een dagelijkse meditatie. Ik zonk weg in een leegte die comfortabel, helder en ruim was. Na enige minuten besefte ik plotseling dat ik omgeven was met iets wat ik alleen maar kan omschrijven als 'een enorme aanwezigheid', een geluidloze vulkaanuitbarsting had in en om me heen plaatsgevonden. Ik besefte dat deze enorme aanwezigheid er alleen maar kon zijn omdat ik leeg was. En ik, die gewend was te zeggen, aha, dit ervaar ik, werd aan de kant geduwd: er was geen ruimte meer voor een eigenaar van gedachten, alleen nog ruimte voor een waarnemer. Ik zag mijn gedachten als een muis de woestijn in rennen.
Vervolgens waren er twee dingen glashelder: dat 'bundeltje gedachten' dat de woestijn in rende; dat was ik niet. Tot mijn opperste verbazing besefte ik dat ik juist het tegenovergestelde, die enorme aanwezigheid was… Niets en niemand in de wereld kon mij overtuigen dat het anders was. Ik had mijn midden gevonden.
Na dit diepe besef verdween 'de aanwezigheid' weer en liet een echo van stilte en helderheid in mij achter. Het voelde allemaal zo natuurlijk dat ik aan niemand vertelde wat er gebeurd was. In de weken daarna ging mijn dagelijks leven gewoon verder. Mijn meditaties werden stiller en dieper, als ik met m'n aandacht naar binnen ging, naar mijn 'centrum', ontdekte ik dat daar niets, maar dan ook helemaal n i e t s was… En als ik met mijn aandacht naar de buitenwereld ging, merkte ik dat 'buiten' geen einde had. Als een eindeloos uitdijend heelal.
Maar het was niet allemaal Hemel en Glorie. Ik werd heen en weer geslingerd. De ene dag was ik stevig in het evenwicht gevestigd en de volgende dag liet ik me tackelen door een emotie of een verlangen. Toen ik voor de zoveelste keer onderuit werd gehaald had ik schoon genoeg van alle afleiding en op dat moment stroomde er een nieuwe autonomie in mezelf naar boven: ik kan niet zeggen dat ik een beslissing nam, maar iets in mij koos voor stilte en helderheid, de rest liet ik achter.

Wat verandert er nou na zelfrealisatie?

Toen Ramana Maharshi die vraag werd gesteld antwoordde hij: 'vóór zelfrealisatie hield ik van aardbeien, nu hou ik nog steeds van aardbeien'. Op een bepaald niveau verandert er dus niets. In mijn lichaam, zintuigen en geest verschijnen gedachten en gevoelens, maar ik claim niet meer dat ik er de producent en eigenaar van ben. Het bewustzijn schept vormen, die Ik, als ultiem subject, ken als objecten. Nu ik de gedachten en gevoelens (en dus ook verlangens) niet meer claim als van mij, verdwijnt de hunkering om gedachten en gevoelens te beïnvloeden. Ik heb best zin om mijn oude auto in te ruilen voor een nieuwe, maar ik heb die nieuwe auto niet nodig voor vrede. Voor vrede heb ik helemaal niets meer nodig, want dat bén ik. Dat is mijn natuurlijke staat: één-zijn zonder het gevoel dat er aan allerlei voorwaarden moet worden voldaan.

Als kind was ik gefascineerd door een centrifuge die we thuis hadden om de was te drogen. Daarin speelde zich een metafoor af: terwijl de kleding in de trommel naar de buitenkant werd geslingerd ontstond in het midden van de centrifuge een leegte. Hoe hard de centrifuge ook draaide, het midden bleef leeg.

Zo gaat het ook met gedachten en gevoelens. Die worden vanuit een leeg midden geboren, hoe woest of hemels, positief of negatief die gedachten ook zijn, de leegte blijft leegte. Ik deed vroeger mijn best om via allerlei methoden mijn gedachten stil te leggen. Dat was een vergissing, de menselijke geest is juist geconditioneerd om gedachten te verwekken. Er is niets mis met een gedachte of een gevoel, wel met het gemekker dat erop volgt. Het gemekker probeert met alle geweld geluk af te dwingen. Daar begint het gegoochel: als ik nou zus, of als ik nou zo, dán zal ik wel gelukkig worden... Dat is pech, want geluk is niet deelbaar. Keer op keer moest mijn illusoire ik-gedachte tegen de muur lopen, keer op keer moest ik in de doodlopende steeg beseffen: dit leidt tot niets.
Pas toen de gedachte om het ik gelukkig te maken zich overgaf, kwam het grote besef naar boven drijven. En dat grote besef hoefde ik helemaal niet te zoeken, dat zat namelijk in mij.

[Okt 2002 Johan van der Kooij]