Het hart van de wereld

1977: Wolter Keers vertelt hoe hij tijdens de tweede wereldoorlog de naam Ramana Maharshi hoort. Het startpunt van een odyssee, die hem via India weer thuis brengt.

Als ik terugkijk op mijn jeugd is het zo klaar als een klontje dat ik geboren werd met een ongelooflijke hoeveelheid spirituele karmische ballast. Afkomstig uit een geslacht van dominees waarin zowel mijn vader als grootvader voorgangers waren in de protestantse kerk, was thuis alle aandacht gericht op religieuze zaken. En ik denk dat ik eerder kon bidden dan dat ik kon praten.

Als het waar is dat de kinderjaren bepalend zijn voor de belangrijkste dingen in je leven, dan is dat in mijn geval zeker waar. Twee gebeurtenissen zijn richtinggevend geweest in de opeenvolging van avonturen op het spirituele niveau. Dat leidde tot een wanhopige zoektocht naar iemand die mij tot verlichting kon brengen. En het eindigde in die ongelooflijke gebeurtenis waarin ik juist die leiding vond.

Het eerste voorval deed zich voor toen ik ongeveer vijf jaar was. Een bekende rondreizende missionaris bezocht ons dorp en bracht een expositie mee over Nederlands Nieuw-Guinea waar hij had gewerkt. Ik kan me nog steeds een paar voorwerpen herinneren die hij liet zien, maar belangrijker was dat hij bij ons thuis logeerde en bij ons at. Op een dag, tijdens het middageten, vertelde hij mijn ouders dat hij deze keer vanuit Indonesië niet met de boot (zoals gangbaar in die tijd) gereisd had, maar gedeeltelijk over land, door India.

Dat woord India raakte me als een bliksemflits. Het is vrijwel onmogelijk dat ik op die jonge leeftijd dat woord eerder gehoord had. Maar het raakte me alsof het me in tweeën spleet. Ik was verdoofd door een stille, opperste verbazing –– met een onverklaarbare herkenning van iets wat buitengewoon was, iets uitzonderlijk begeerlijks, zoiets als het ultieme, bijna als God.

De tweede gebeurtenis speelde zich korte tijd later af. Ik denk dat het in de lente van 1928 was toen ik vijf jaar oud was.  Ik speelde op een klein grasveld bij een zandbak. Ik keek omhoog naar een haag met kleine paarse bloemetjes en witte sneeuwbessen zo groot als knikkers.

Ik kan niet zeggen wat de oorzaak was van de daaropvolgende gebeurtenis. Opeens veranderde de hele wereld en ikzelf in licht. Ik verviel in samadhi. Het was een zeer indrukwekkende ervaring, en tegelijkertijd was het gewoner dan gewoon. Zo klein als ik was besloot ik om deze ervaring geheim te houden en ik heb er nooit over gesproken tot mij op mijn twintigste hetzelfde overkwam. Ik was toen in gezelschap van een goede vriend die mij een oude klassieke Indiase tekst voorlas. Plotseling, zonder waarschuwing – zoals dat altijd gebeurt – loste ik als het ware op in samadhi.

Natuurlijk was er in de periode tussen mijn vijfde en twintigste van alles gebeurd. Maar dit keerpunt bevestigde dat het antwoord op mijn vragen – die ik aan alle theologen in en buiten mijn familie stelde en die door hen in de verste verte niet beantwoord konden worden – in het verre oosten lag.

Ik bleef boeken lezen en hoewel ik veel interessante boeken tegenkwam, was er geen enkel boek dat mij uitleg kon geven over hetgeen ik wilde weten. Geleidelijk werd het een hopeloze zaak. Toen ik na de tweede spontane samadhi ontdekte dat ik, wat ik ook deed op geen enkele manier terug kon keren naar die toestand, kwam ik in een diepe depressie terecht. Ik besloot dat ik een goeroe moest gaan zoeken, en als ik die niet zou vinden, dan zou het leven niet meer de moeite waard zou zijn.

In die tijd leende ik twee boeken van de moeder van een vriend. Het ene boek was geschreven door Swami Vivekananda, getiteld Jnana Yoga. Ik had geen idee dat zowel het boek als de auteur wereldberoemd waren; voor mij was het gewoon een boek, zoals er zo vele waren. Toen ik het begon te lezen veroorzaakte het een soort explosie van binnen. Hier had ik eindelijk iemand ontdekt die in staat was om datgene onder woorden te brengen wat ik intuïtief had aangevoeld, maar zelf nooit kon verwoorden.

Het tweede boek, geschreven door Paul Brunton deed de rest. Toen ik las dat er een wijsgeer in India leefde met wie je kon praten, die je vragen kon stellen waarop je echte antwoorden kreeg, begon ik weer hoop te krijgen. Het enige waar ik mij zorgen over maakte was dat deze wijze man intussen misschien al overleden was. Het was oorlog en dus onmogelijk om daarachter te komen.

Ik besloot te vertrouwen op wat er over hem geschreven was, en ik begon me op hem te concentreren. In de Nederlandse vertaling van het boek van Paul Brunton Verborgen Wijsheid was een foto van Bhagavan (Ramana Maharshi), die ik tijdens mijn meditaties gebruikte. Aanvankelijk, met veel inspanning, concentreerde ik mij op het hartcentrum, wat het gereedschap was dat hij ons aanreikte om voorbij het waarneembare te komen. Dankzij mijn sterke karmische inprints of aangeboren karaktereigenschappen was het voor mij niet moeilijk om na verloop van tijd direct in dit centrum af te dalen. Tijdens mijn meditaties concentreerde ik me sterk op Bhagavan en na enige tijd was ik zeker van zijn bezielende begeleiding. Toch was dit niet genoeg. Wel hielp het als een uitstekende voorbereiding; in een mum van tijd smolten mijn depressieve neigingen. Het hielp me in te zien dat ik niet een lichaam was, niet dit, niet dat, maar het bracht me nog niet in mijn ware centrum.

In die tijd wist ik nog niet dat het door de hechte identificatie met het lichaam nodig was om op z'n minst één keer, maar bij voorkeur veel vaker, in de fysieke nabijheid te zijn van een authentiek leermeester. Wel wist ik dat ik dit exotische wezen in die kleine Indiase stad moest gaan ontmoeten. Steeds vaker concentreerde ik me op hem, vocht soms met hem, vroeg hem om hulp bij mijn pogingen om hem te gaan opzoeken. En hoe vreemd deze uitspraak nu ook klinkt – ik won. Hij maakte zijn aanwezigheid voelbaar, zeer krachtig, en daarmee kwam de zekerheid in mij naar boven dat ik hem zou gaan ontmoeten.

Welk deel van deze sadhana toebehoorde aan mijn eigen projectie en welk deel aan Bhagavan, daar zal ik nooit achter komen. Zeker is dat elke sadhaka (spirituele zoeker) op iedere 'wijze' een mens projecteert, een mens die loopt, spreekt, eet en naar dingen verlangt, en daarbij uit het oog verliest dat vanuit zijn eigen 'standpunt' de leermeester niets is van dien aard. Een authentiek leermeester geeft de sadhaka nooit iets om aan vast te houden. Hij is als ijle lucht – waar je ook probeert hem te grijpen, of iets tastbaars te vinden, daar verdwijnt hij. Je kunt er geen grip op krijgen, net zomin als je zonlicht in een doos kunt stoppen, hoewel het zonlicht daar ontegenzeggelijk aanwezig is.

Toch duurde het nog een aantal jaren voordat ik eindelijk, in het begin van 1950, in India aankwam. Alsof het gisteren was, herinner ik me de treinreis van Madras: de eerste blik op de berg Arunachula, met de volle maan erboven – een goed voorteken dacht ik. De vechtende kruiers, die mijn bagage in handen hadden voordat ik wist wat er gebeurde; de rit in de jutka met de bestuurder, die alsmaar 'hey-hey' riep, met de klemtoon steeds op de tweede lettergreep. Het gebeurde allemaal, ik was niet meer betrokken. Het was net alsof ik volkomen transparant was geworden. Ik hoorde van vrienden buiten de ashram dat Bhagavan ernstig ziek was, maar ik wist ook dat ik nog op tijd gekomen was en dat hij zijn belofte had gehouden om me te helpen er te komen. Niets in de wereld kon er nu nog misgaan.

Roda MacIver, die nog steeds in de ashram woont, nam me een paar uur later mee naar hem toe. En toen ik hem van een afstand zag zitten op een stoel op de kleine doorgang tussen zijn kamer en de grote zaal, begon ik helemaal te trillen – niet van de zenuwen of ongemak, maar vanwege de confrontatie. Daar was ik dan – maar wat ter wereld kon dit betekenen? Ik, dit transparante ding – en daar, daar, daar, op die stoel, het licht Zelf, stralend, zoals ik dat nog nooit in iemand of iets gezien had.

Roda stelde me aan hem voor en Bhagavan keek me aan. Hij sprak nauwelijks, maar zijn gezicht, zijn aanwezigheid zei: zo, daar ben je dan eindelijk.

Ik werd uitgenodigd om te gaan zitten bij een groep van tien of twintig mannen. Ik zat met mijn rug tegen de muur, tegenover hem. Ik keek, en keek, en keek. Lang geleden had ik het geloof van mijn kinderjaren opgegeven. Een God tussen de wolken bestond niet meer. En nu, plotseling, het heldere Licht Zelf, vlammend en allesdoordringend, als röntgenstralen ging het dwars door me heen.

Tegelijkertijd leek Bhagavan volkomen onbezorgd. Hij keek om zich heen, glimlachend om de eekhoorns die langs de boomstammen op en neer renden; hij sprak wat met de verzorgers; hij doezelde af en toe een halve minuut weg en dan, onmiddellijk en volkomen wakker, keek hij niet náár je, maar ìn je. Moeiteloos, alsof je een straat inkijkt en alles wat er in die straat gebeurt in één ogenblik in je opneemt; en daarna wreef hij met zijn lange vingers over zijn voorhoofd.

In die dagen kwam hij twee keer per dag naar buiten: twee uur 's ochtends en twee uur 's middags, zodat we zijn darshan (zegen) konden ontvangen.

Die eerste dagen waren voor mij de vervulling van alles dat ik ooit gehoopt had te vinden – in feite was het veel meer dan dat. In de meest stralende en transparante momenten van mijn hart, had ik me nog geen fractie voor kunnen stellen van deze schitterende Aanwezigheid die dwars door alles heen straalde en me ver voorbij het waarneembare meenam.

De tweede – of was het de derde dag –  moest ik lachen over de absurditeit van mijn leven tot op dat moment. Hoe had ik het in mijn hoofd kunnen halen om een tuin aan problemen te blijven onderhouden? Wat gaf mij het idee dat ik zo belangrijk was dat ik problemen zou moeten hebben – vragen en ingewikkelde situaties waaraan ik zou moeten ontsnappen. En voordat ik het wist zat ik midden in de wie ben ik-sadhana. Maar nu, in zijn aanwezigheid zag dat er volkomen anders uit. In dit stralende licht was het zo overduidelijk dat ik niet een lichaam, niet een ego was, dat er geen onderzoek voor nodig was. Dit licht verdreef in een klap al het duister in mij.

Na ongeveer twee weken kwam er irritatie bij me naar boven. Het viel me namelijk op dat als ik terugkeerde naar het kleine huis van een Nederlandse vriend, tegenover de ashram, de transparante stralende toestand die altijd alles verdreef in de aanwezigheid van Bhagavan, me verliet. En als er vragen in mij naar boven kwamen, dan was het onmogelijk voor me die op te lossen.

Na een paar dagen werd ik opstandig, en besloot Bhagavan te confronteren.

Toen ik binnenkwam tijdens de middagdarshan, weigerde ik weg te smelten in zijn aanwezigheid, die sterk was als altijd. Ik weigerde botweg zijn zegen, en ik moet zeggen dat het niet makkelijk was. Het was zoiets als je eigen moeder in haar gezicht slaan. Toch besloot ik om koppig te blijven, ik was niet op zoek naar een hemels uurtje, maar naar definitieve bevrijding van onwetendheid.

Toen ik voor hem langs liep en hem groette in Indiase stijl, verscheen er even een glimlach op zijn gezicht – en dat was alles. Op dat moment was ik er volkomen van overtuigd dat hij zich bewust was van de hele situatie, maar hij gaf er geen enkele aandacht aan. Hij liet zijn aanwezigheid over alle bezoekers neerdalen (en elke dag waren het er meer, het nieuws van zijn onvermijdelijk vertrek verspreidde zich snel, en heel veel mensen wilden hem nog zien voordat hij heen zou gaan); hij wreef over zijn voorhoofd, keek naar de eekhoorns, doezelde even weg, of keek geheel onverschillig naar het een of het ander.

Ik vond een zitplaats tegenover hem, onder de overdekte doorgang, die toen langs de muur van de zaal liep, dichtbij de plek die we nu kennen als zijn samadhi. De doorgang is nu aan de grote zaal toegevoegd. Van hieruit startte ik mijn aanval. Met al mijn kracht vuurde ik mijn gedachten op hem af. 'Bhagavan, wat voor zin heeft je uitstraling voor mij als ik mijn problemen niet kan oplossen op het moment dat ik niet in je aanwezigheid ben?' Dat was ongeveer de strekking.

Bhagavan schonk er geen aandacht aan. Dus concentreerde ik me nog dieper, en met m'n gedachten begon ik aan hem te duwen en trekken alsof hij een fruitboom was. Ik moest en zou een antwoord krijgen.

Plotseling keek hij me aan met een glimlach in opperste verbazing. 'Wat wil je?' vroeg de glimlach. En daarna met een andere uitdrukking op zijn gezicht: 'Je zoekt je bril terwijl die op je eigen neus staat!' Daarna schoten zijn ogen plotseling vuur, en toen hij me aankeek drong zijn blik bij mij naar binnen, fysiek voelbaar in mijn borstkas. Het hartcentrum, dat vaak in zijn aanwezigheid voelbaar was, werd warm, heet, roodgloeiend en flitste net alsof er een elektrische machine naast m'n hart stond. Ik zat kaarsrecht, mijn ogen als lijm vastgeplakt aan zijn 'vuurblik'. Dood me, bad ik.

Hoelang dat geduurd heeft, kan ik niet zeggen. Het was buiten tijd en ruimte. Het moment kwam dat mijn lichaam de druk niet langer kon dragen. Het was alsof mijn borstkast zou exploderen en ik vroeg hem mij te laten gaan. Ik had gekregen waar ik voor kwam. Dit verslag van deze initiatie is alleen maar een indicatie; in werkelijkheid was het een complete transformatie – een Umwertung aller Werte, zoals Nietzsche het noemt. En dit alles zonder Bhagavans stem te horen. Communicatie in stilte was duidelijker dan welke uitleg in woorden dan ook.

Maar ik had nog steeds woorden nodig.

Een paar dagen voor Bhagavans dood, besloot ik uit Tiruvannamalai te vertrekken. Er waren op z'n minst duizend mensen, die ieder zo'n 10 tot 20 seconden voor de deur mochten blijven staan om Bhagavan te zien. Ik vond dat hij met rust moest  worden gelaten.

Terug in Bombay, waar ik bij een vriend logeerde, was ik verbaasd over de reikwijdte van de veranderingen. Voor ik naar Bhagavan vertrok was ik Spinoza's Ethiek aan het lezen, een pittig boek, waar ik me doorheen moest worstelen. Nu kon ik het lezen als een novelle.

Maar het was nog niet genoeg. Ondanks de twee maanden bij Bhagavan die me binnenstebuiten en ondersteboven hadden gekeerd, was het toch te kort om alle obstakels te doen oplossen. Alleen al omdat een aantal fundamentele vragen nog niet boven was gekomen en zekere fouten nog niet herkend werden. Ik had bijvoorbeeld sterke yogische neigingen en ik kon niet begrijpen dat bewustzijn niet vanuit kundalini ontstond, maar dat kundalini in Bewustzijn verscheen. Waar ik dit absurde idee vandaan haalde weet ik niet. Totdat iemand mij erop wees en er twijfel opkwam met betrekking tot dit onderwerp – een aantal weken na Bhagavans overlijden. Andere en nieuwe vragen begonnen me te verzoeken: hoe zit het nu met die mysterieuze droomloze slaap en wat werd er bedoeld met de simpele woorden dat je altijd de waarnemer van een gedachte bent en niet de (be)denker...

Maar ondanks dat ik nog verre van voldaan was, maakte ik me geen zorgen meer. Het lijden, zoals ik dat kende toen ik nog in Europa was, was verdwenen.

Bhagavan had bewezen een hulp te zijn met een zekerheid zo groot als de Mount Everest; hij zou me niet verlaten, ook niet na zijn dood. Dus wachtte ik in het volste vertrouwen af.

En die hulp kwam.

Drie maanden na zijn fysieke vertrek, voerde ik in mijn verbeelding een dialoog met hem. Het veranderde zodanig dat het op een visioen leek. Plotseling was ik weer terug in Ramanashram en zat ik tegenover hem, zoals altijd tijdens de eerste weken van mijn verblijf. Er waren wel honderd tot tweehonderd mensen.

In stilte wenste ik: O Bhagavan, ik wou dat ik alleen met U was. Nauwelijks had ik dit gedacht of de eerste persoon stond op en daarna nummer twee en in onafzienbare tijd was de galerij leeg, behalve Bhagavan en ik.

Ik ging dicht bij hem zitten, keek naar hem en zei: 'Het is fantastisch om alleen te zijn met Bhagavan.' En er verscheen de bekende glimlach, die de wereld leek te bezitten, een bad van licht en liefde. Dit keer sprak hij enigszins gepeperd, met wat sarcasme om mijn absurde standpunt duidelijk te maken, en heel langzaam, om elke lettergeep duidelijk uit te spreken, zei hij: 'Ben....je....ooit...niet...alleen?'

Onmiddellijk deed deze 'Bhagavaneske' opmerking me gloeien van blijdschap en herkenning. Ik begreep direct wat hij bedoelde. Ik was weer helemaal thuis.

Bewust van mijn nieuwe problemen, vroeg ik hem wat te doen. Hij verwees me toen naar een zekere persoon, die naar ik later ontdekte zeer eerbiedwaardig bleek te zijn, iemand die me om een onverklaarbare reden toestond een aantal jaren bij hem door te brengen tot alle obstakels overwonnen waren.

Tijdens dit visioen ondervroeg ik Bhagavan over deze goeroe: Is hij gerealiseerd? Hij kaatste één van zijn cryptisch antwoorden terug: 'Hij is noch gerealiseerd, noch niet-gerealiseerd.' Het duurde een week voor ik dit begreep; 'gerealiseerd' en 'niet gerealiseerd' zijn etiketten die we op iemand plakken. Maar de persoon naar wie Bhagavan verwees was zonder etiket – en ik vond snel bevestiging van datgene waar Bhagavan naar verwees.

Nu, vijfentwintig jaar later, ben ik nog steeds af en toe met Bhagavan – en dan bedoel ik niet met Hem als puur Bewustzijn of Atma Brahman, maar als zijn 'typische bhagavaneske aanwezigheid', met en zonder vorm. Ik ben niet meer in visioenen of in andere yogische fenomenen geïnteresseerd Maar als Hij er dan plotseling is, zorgt zijn aanwezigheid voor tranen van diepe Liefde en emotie in mijn ogen of ik gloei van geluk en mijn hart slaat drie slagen in de lucht. Zo sterk is de straling van Zijn hart. Het is het Hart van de wereld.

Zoek in het water en je zult de golven niet vinden;
Toch komen de golven op vanuit het water.
Daito Kokushi.

Uit: Mountain Path, aflevering 14, nr. 1, januari 1977

[Vertaling: Johan van der Kooij en Kees Schreuders]