Meneer Algedaan was buiten zinnen

Dag in dag uit zat Meneer Algedaan in z'n schommelstoel op de veranda van z'n huis en schommelde,... en schommelde,... en schommelde...
Langzaam in de morgen, trager in de middag en bijna stil vlak voor hij ging slapen. Om vervolgens de volgende morgen op te staan en weer in de schommelstoel plaats te nemen.

Soms was er wind, soms regen, soms blauwe luchten, soms grijze.
Vandaag scheerden zwaluwen hoog boven door de lucht. Aan de horizon trok een kudde pas-geschoren schapen voorbij, vergezeld door het blaffen van de herdershond. Dit alles ging echter volkomen aan Meneer Algedaan voorbij.

Als iemand hem moest spreken, antwoordde hij morrend en grommend. Iedereen wist wat hij daarmee wilde zeggen: 'Ga weg! Val me niet lastig met dit soort onnozele zaken. Ik ben belangrijke gedachten aan het denken'. En dus kozen de spaarzame bezoekers eieren voor hun geld.

Morrend schommelde hij dan weer verder, z'n eindeloos belangrijke gedachten te denken. Hij vergeleek de gedachten met een grote bal in elkaar verstrikkende twijgen. Onverbiddelijk probeerde hij deze verstrikte brij te ontwarren. Van de ene gedachte naar de andere springend zocht hij naar het losse eindje. Als hij dat zou vinden, zou hij deze kluwen weten te ontknopen.
Op een dag had hij hem bijna te pakken: een herinnering aan een moment toen hij zag hoe mooi licht eigenlijk was. 'Ja' dacht hij, 'zo moet het zijn.' Net als die keer dat hij in de bocht van een weg dat prachtige eilandje met pijnbomen zag, dat als een luchtspiegeling op het meer lag, met verre bergen aan de horizon. Z'n hele wezen werd toen tintelend ondergedompeld in golven van schoonheid.

Hij was zo druk met deze herinneringen, dat hij niet in de gaten had dat z'n blik zich vestigde op de kudde schapen in de verte en verder over de heuvel gleed waar de schaapsherder en z'n zwart-wit getekende hond liepen. Z'n zicht ontsnapte onopgemerkt over de majestueuze bergen naar de blauw azuren kustlijn met daarboven een groep dollende jonge meeuwen.

Het gehoor merkte dat het zicht verdwenen was en sloop weg op het geluid van kwetterende vogels in de buurt. Via het geluid van een schreeuwende baby volgde het de weg, glimlachend langs een piano-oefenend kind, een speeltuin met veel prethebbende kinderen, een huilende vrouw, schreeuwende marktkooplui. Verder en steeds weer verder.

De reuk begon zich eenzaam te voelen en vroeg zich af waar z'n maatjes gebleven waren. Het was zomer en de lucht was gevuld met de geur pijnbomen, groengrazige weiden, klaterend water en wierook uit een nabij gelegen kerk. Het ruiken werd bijna dronken van de geuren van bloemen, groenten en fruit op de markt.

De zintuigen reisden verder en verder. Meneer Algedaan had niet in de gaten dat ze verdwenen waren. Het was precies zoals de bezoekers elkaar altijd vertelden: 'hij was niet goed bij zinnen'.

De zintuigen hadden de dag van hun leven. Geurende kleuren, stille vergezichten, tastbare ritmes. Bellen, koeienbellen, kerkbellen, kamelenbellen en Afrikaanse houten bellen. Gamelan klanken op Bali, keelzang van Tibetaanse monniken, Aboriginal didjeridoe's. Zoveel soorten geluiden, er kwam geen eind aan. Rollende biervaten, vallende bomen en het terechtwijzende ssshh van moeders in kerken, synagogen en moskeeën.

Bloemengeuren, stalgeur. De geur van de rivier die in de zee uitmondt. De vismarkt, de drogisterij, de schoenmaker. Het ruiken was in de zevende hemel.
Wat een schitterende uitzichten waren er. Een slingerende rij mieren met de verwonderde blik van een kind die het tafereel bekijkt. Spelende motten in de zonlichtkleuren van gebrandschilderde ramen in een kathedraal. De glans van koperen schalen die net gewassen zijn.
De hele dag en bijna hele nacht zwierven de zinnen rond en deden zich te goed aan alles wat is.

Maar in de nacht tegen zonsopgang begonnen ze zich onbeduidend en leeg te voelen. Wat is de zin van al deze pracht als er niet een iemand is om het te ervaren en te delen.
Eén voor één besloten ze terug te keren naar Meneer Algedaan. Ze deden dat zo voorzichtig mogelijk om hun oude makker niet te wekken.
Maar toen Meneer Algedaan z'n gehoor terug kreeg, hoorde hij de haan kraaien, zoals nooit tevoren. Hij zat rechtop in bed en zag de nacht in roze gekleurde tinten in de ochtend veranderen. Met een zucht van blijdschap stroomde de geur van de dauw direct door naar zijn hart. Dronken van de extase van het leven, sprong hij op uit z'n bed en danste met hervonden levenslust de nieuwe dag tegemoet.

Iedereen zei: 'Meneer Algedaan heeft z'n zinnen weer gevonden'.
Maar hij wist beter, z'n zinnen hadden hém weer gevonden...

Het einde en het begin...

[Sam Pasiencier - illustraties: Silja - vertaling uit het Engels: Kees Schreuders]