Het Nu!

In ons dagelijks leven bedoelen we met 'het nu' een vluchtig, ongrijpbaar ogenblik, dat voorbij is zodra je het wilt pakken, iets vluchtigs, iets wat al verdwenen is het ogenblik dat je het hebt gezien.
Dat wil zeggen dat we in ons dagelijks leven met het woord 'nu' een gedachte bedoelen. Een gedachte, ook de gedachte die we 'het ogenblik nu' noemen, is al voorbij als we haar kennen. Een gedachte kan niet worden vastgehouden: haar wezen zelf is vluchtigheid en beweging. Geen gedachte zal ooit zo vriendelijk zijn om even stil te gaan staan en zich te laten bekijken, zelfs niet als ze in lettertekens is gevat en op de bladzijde van een boek. In dat geval moeten we de betreffende tekst telkens opnieuw lezen, ook als het om één of meerdere woorden gaat die we met één oogopslag kunnen opnemen.

We springen met de tijd om, alsof die echt is en een onafhankelijke realiteit heeft - een realiteit die zelfs sterker is dan de onze, want wij worden immers als mens door de tijd beperkt. We zijn geboren op het moment A en we zullen doodgaan op het nog onbekende moment Z, en dat ogenblik breekt voor iedereen aan. Voor de ene mens duurt de periode van A tot Z misschien maar vijf of tien jaar en voor de ander honderd -maar komen doet Z, en er is niets dat dit kan verhinderen.
De tijd is daarom een dictator, die ons zijn wil oplegt, strenger dan welke politieke dictator dan ook.

Waarom is dit zo?

Omdat we, in deze optiek, onszelf aanzien voor-, en beleven als een tijdelijk verschijnsel. Met andere woorden: wat we op onszelf projecteren, zien we ook in 'de wereld'. Ben ik een tijdelijk verschijnsel, dan projecteer ik wat ik als realiteit ervaar, op de wereld en ik zeg dat dié deze eigenschap heeft als onwrikbaar gegeven. Zo wordt de tijd een onafhankelijk gegeven: een door de schepping geproduceerde kalender die loopt van honderdduizenden jaren voor Christus tot nog een poos na vandaag, en ik ben dan iemand die een stukje van deze eindeloze reeks meebeleefd.
Maar in feite is het precies omgekeerd.
Niet alleen is tijd iets wat door mij wordt waargenomen als een bepaalde manier van denken, maar ook de 'ik', die 20 of 80 jaar leeft is niets meer en niets minder dan een door mij waargenomen voorstelling van mezelf. Zonder mij-als-denker is er geen tijd, en zonder tijd kan ik-als-denker niet bestaan. Kortom, het verschijnsel 'ik' en het verschijnsel 'tijd' zijn zo verweven dat ze niet te scheiden zijn.
Is water de oorzaak van natheid, of is natheid de oorzaak van water? In deze zin zijn water en natheid twee woorden voor hetzelfde: zonder het een kan het ander niet bestaan.
Dit geldt niet alleen voor deze twee waargenomen dingen, maar voor elke waarneming: elke waarneming is een beweging in het bewustzijn, en elke beweging beslaat een bepaald tijdsverloop. Is er geen tijd, dan kan er geen enkele waarneming zijn. En omdat 'de wereld' niets anders is dan waarneming - waargenomen dingen - is de wereld als verschijnsel, als vorm, tijd. Zonder tijd is er geen waargenomen wereld en aangezien menselijke wezens uitsluitend waarnemingen kennen die in het bewustzijn verschijnen, mogen we dus concluderen dat zonder tijd, dat wat mensen de wereld noemen niet kan bestaan.
Het waargenomen 'ik', de voorstelling die we aanzien voor onszelf, is deel van die wereld.
Het is niet zo dat een waargenomen 'ik' de wereld waarneemt, maar het is zo dat er soms een waarneming is die ik huis of wolk noem, en soms een die 'ik' genoemd wordt, maar beide zijn tijdelijke waarnemingen die ons na enkele ogenblikken weer verlaten .
Het curieuze is echter dat 'ik' overblijf, ook als er geen waargenomen 'ik', geen zelf-voorstelling is.
Er blijft geen water over als ik de natheid weghaal, maar 'zijn' blijft wel over, zoals duizenden keren per dag, maar zonder ik, zonder een ik-voorstelling.
Als ik 90% van elke dag kan leven zonder ik-voorstelling, bewijst dat onomstotelijk dat ik in wezen niet een door mij waargenomen ik-voorstelling ben. Deze ontdekking, mits ze niet oppervlakkig blijft, brengt een totale revolutie in ons leven teweeg. Want alles dat we tot nu toe hebben gedaan in dit leven, hebben we op de een of andere manier gedaan ten behoeve van nu eens deze en dan weer die ik-voorstelling. Kortom: voor iets wat we niet zijn - als het ware voor iemand anders.
Het 'nu', letterlijk genomen, is een 'denkwoord', voorbij tegen de tijd dat het is waargenomen.
Maar er is een ander nu: niet een waargenomen 'nu', maar het waarnemende 'nu'.
Immers: ik ben altijd nu. Toen ik zes jaar was, moest ik 'nu' naar school. Vanochtend moest ik 'nu' opstaan. En 'nu' zit ik te lezen. Ik ben altijd nu: nu, en een ogenblik later, nu, nu nog.
En omdat ik altijd nu ben, is mijn waarnemen ook altijd nu.En omdat mijn waarnemen altijd nu is, is dat wat in dit waarnemen verschijnt ook altijd nu: ik kan niet iets waarnemen wat er niet nu is.

Als ik beweer dat het verleden reëel is, en dat ik het kan waarnemen als herinnering, beweer ik iets onmogelijks. Ik neem nu een gedachte waar, die er nu is, onverschillig of ik die gedachte een herinnering of een verwachting noem. Dus is het de een of andere waargenomen vorm in het nu die ik 'verleden' noem of 'toekomst'. Maar het waargenomene is nu.
Omdat ik nooit ook maar voor een ogenblik dit nu kan verlaten, is het volslagen onmogelijk iets waar te nemen wat er niet nu is. Daarom is het uitgesloten dat een menselijk wezen iets kan waarnemen wat hij 'het verleden' noemt. Hij neemt nu een gedachte waar, die hij weliswaar 'verleden' noemt, maar die nu is.
Met andere woorden, in het nu kan het denken - die vorm van het denken die we het geheugen noemen - iets projecteren wat het 'verleden' noemt, maar het is nu.
Mensen die naar een leermeester gaan omdat ze zich gebonden en kwetsbaar voelen, en op zoek zijn naar vrijheid, voelen zich uiteraard gebonden door het verleden. Om gebonden te zijn moet je een verleden hebben, want al onze angsten en verlangens (en daaruit bestaat onze problematiek) zijn ontstaan door ervaringen in het verleden. Zeggen we.
Maar wie scherp toekijkt en ontdekt dat er geen verleden bestaat, tenzij ik nu een gedachte produceer die ik 'het verleden' noem, ontdekt dat hij in feite uitsluitend gebonden is door een voorstelling die er nu is, dus door een geloof in de realiteit van een denk-poppetje dat ik 'ik' noem en dat bijvoorbeeld zegt: 'Ik heb toch zo'n moeilijke jeugd gehad'.
Maar, zoals de onsterfelijke Shri Krishna Menon zegt (Atma Nirvriti, 14 sl. 5): 'A past thought is one that has ceased to exist'... een gedachte die voorbij is, heeft opgehouden te bestaan.
Wat heeft opgehouden te bestaan, bestaat niet, en wat niet bestaat kunnen we niet kennen. Het enige dat we dus waarnemen is een gedachte die nu is, maar beweert er gisteren te zijn geweest. Ook dat idee 'gisteren' is nu.
Niemand van ons wordt dus gebonden door het verleden. De enige, en dan nog ogenschijnlijke, gebondenheid is het geloof dat een gedachte die zegt verleden te zijn in plaats van nu, de waarheid spreekt. Maar ze liegt. De waarheid is, dat wij alleen nu zijn, alleen het nu kunnen kennen, dus niet een verleden kunnen hebben, of er derhalve door gebonden kunnen zijn.
Dat is de waarheid - de waarheid waarvan Jezus zegt dat zij ons zal vrijmaken.
Deze vrijheid licht plotseling op als een zon bij de ontdekking dat mijn hele persoonlijkheid, die niets anders is dan een schijn die ik het verleden noem, dus geen enkel bestaan heeft, tenzij ik hem op dit ogenblik bedenk. Tien tellen later is hij weer verdwenen. Hoe kan ik in 's hemelsnaam gebonden zijn door een gedachte die enkele tellen lang wordt waargenomen in het bewustzijn dat ik ben ?
Er is dus in waarheid niemand die gebonden is, en dus ook niemand die naar vrijheid zoekt of bevrijd zou kunnen worden. Er is alleen dit nu-zijn dat ik ben, moeiteloos, of ik wil of niet.
Er kunnen geen bewegingen in het bewustzijn ontstaan als er geen bewustzijn is. Die bewegingen, onverschillig of we ze gedachten of gevoelens of zintuiglijke waarnemingen noemen, hangen af van het feit dat ik er eerst al ben als bewustzijn waar ze in kunnen verschijnen.
Zo is bijvoorbeeld het geloof in een gebonden en beperkt 'ik' alleen maar mogelijk, doordat ik er eerst al ben als vormloos, tijdloos, waarnemend bewustzijn (Atma) zonder hetwelk geen idee aan een 'ik' kan verschijnen. Vandaar Shri Shankara's opmerking dat het verschijnen van een ego op zichzelf al het beste bewijs is van het feit dat wij geen ego zijn. Het enige bewijs dat het verschijnen van bewegingen levert, is dat er 'iets' is waarin ze verschijnen, en waaruit ze uiteindelijk bestaan, zoals golven uit water.

(Wolter Keers; gepubliceerd met toestemming van uitgeverij 'De Driehoek')