De Odyssee van Jan van Delden

Het boek 'TERUG van nooit weggeweest' van Jan van Delden (uitgeverij Samsara) ligt sinds kort in de boekhandel. Jan geeft hierin een geheel nieuwe en oorspronkelijke visie op het oude heldendicht van Homerus. Hij vond een zuivere westerse bron over de betekenis van de essentie van het leven. Bronnen die men tot nu toe voornamelijk in het oosten zoekt.
Hieronder volgt een gedeelte uit het nawoord van het boek, waarin in vogelvlucht de boodschap van de Odyssee wordt verhelderd.
Afsluitend een gedeelte uit een eerder Amigo interview waarin Jan verhaalt over zijn kennismaking met Homerus' Odyssee.

Heb dat ene lief en doe wat er gebeurt

Homerus heeft een verhaal geschreven dat zijn weerga niet kent. Het slaat alles wat uit materie lijkt te bestaan stuk met bewijzen die geen wetenschapper kan tegenspreken, als die tenminste zijn onderzoeksstandpunt durft te herzien. Het geeft 'blijvend geluk' als antwoord en dat gaat veel verder dan de objectieve, tijdelijke kennis en ervaringen die geloof en denken kunnen bieden.
Het geeft ieder van ons die, met of zonder een geloof, de wereld van de begrippen durft te onderzoeken de mogelijkheid om een onvoorstelbare nieuwe kijk op onszelf te krijgen. Het geeft zelfs de grootste twijfelaar de kans om zijn twijfel te betwijfelen en zo los te komen van het idee dat het denken en de gevoelens van hem zijn. Het laat zien dat je kunt ophouden om de oorlogjes die je met jezelf en je omgeving hebt, als van jou te zien. Zo kun je vanzelf moeiteloos in de vrede en geluk van het er-zijn komen en blijven.

De Odyssee weerlegt elk idee over hoe jij naar huis wilt gaan - zonder dat overigens te bekritiseren - met het doorzien dat jij uiteindelijk nooit bent weggeweest. Eén van de vertalingen van Odysseus is: hodos Zeus, ofwel 'de weg naar Zeus'. Zeus verdroomt zich op een oneindig aantal manieren en daarom is er geen weg naar huis die niet dé weg is. Maar jij hebt het niet voor het zeggen hoe en of jouw thuisreis zich wil afspelen. Dat is aan Zeus.
Alleen als Zeus het wil, komt er een verlangen op om weer naar huis te gaan. En als Telemachos niet naar jou mag komen om je te vertelen hoe de toestand van geluk was voordat de vrijers de macht over je kregen, blijf je onwetend van wat je wezenlijke zelf is - ook al leef je je leven lang bij Zeus in huis. Alleen als je de zoekmachine naar huis in je voelt draaien, betekent dat abstracte thuiskomen iets voor je en mag je het denken en zijn verhalen zien langstrekken zonder dat het er-zijn er iets meer of minder van wordt.
Je bent meestal alleen om je weg te vinden tegen de stroom in van de logica van de wereld. Tegenwoordig word je in de westerse wereld niet meer lichamelijk vervolgd als je het realisatieproces benoemt of beschrijft, zoals Socrates, Jezus of Meester Eckhart. Hoe eerder je echter weet dat je beter je mond kunt houden, des te meer mag je zien dat het zijn wat je bent functie noch taak heeft, omdat er niets en niemand anders is dan het allesomvattende er-zijn.

Het faillissement van het ego

Heb je dat virus, dat verlangen naar huis, dan is de grootste drempel leren inzien dat er geen persoonlijkheid is, geen vrije wil, geen lichaam en geen vrijerswereld (de honderdenacht innerlijke neigingen of 'ikjes' - red.), terwijl de verhalen van hun bestaan in de waaktoestand wel blijven doorgaan. Mag je dat allemaal zien, dan vindt er een ommekeer plaats van 'ik ben dat kleine hoofdrolspelertje in een wereld die echt is en steeds maar doorgaat' naar het ongedefinieerde, alles omvattende er-zijn. Dat proces van het doenerschap ('ik ben de bedenker van het paard van Troje') naar 'als Zeus mij niet thuis brengt, vergeefs probeer ik het' is in de praktijk het grootste obstakel. Er is eerst een afbraak, een totaal faillissement van het ego-idee nodig om die hindernis te kunnen nemen. Ik bedoel natuurlijk dat het genade is als je moeiteloos getuige van dat gebeuren bent.

Het onder ogen komen van het faillissement van het ego betekent het einde van het 'gisteren en morgen'-verhaal, inclusief de binnen- en buitenvrijers [innerlijke 'ikjes' van de hoodrolspeler en de 'ikjes' van de andere spelers ­ red.], het lichaam én het zien dat alles van Zeus, het ongedefinieerde alomvattende, is. Maar omdat er niet iemand in Zeus is, wil dat zeggen dat er noch enig doel, noch enig bereiken is in het realiseren van wat we al zijn. Zo gauw we dat beginnen te zien, zal er een sterke tegenactie komen omdat de vrijers en hun vasthoudende kracht, die de voedingsbodem is van het doenerschapgevoel, bedreigd worden en zij er alles aan zullen doen om het Jantjes-verhaal (het vrijersverhaal - red.) in stand te houden.
Voor velen van ons is ­ net als voor Odysseus ­ de neiging dan groot om weer helemaal op te gaan in dat schimmenverhaal (het voortdurende commentaar van de vrijers over wat er nu gebeurt en hoe het volgens hen zou moeten zijn - red.). Dan doe je net alsof jij naar huis wilt, maar dan wel op een veilige manier door de waarheid tot een object te maken. Zo verlies je je in het doenerschap van het eeuwige takenpakket van het ego en zijn vrijers. Net zolang totdat je het wel mag zien… en dat ligt niet aan jou maar aan Zeus zelf.

Het beeld van de hoogste god die als een overspelige dwaas zijn vrouw zo vaak bedriegt

De weg uit de dualiteit is voor de meesten van ons zo abstract dat we liever niet willen horen dat je er bij thuiskomst nog niet bent. Toen ik mijn mentor vroeg waarom hij mij wel en een ander niet waarschuwde voor wat er allemaal nog gedaan en gelaten moet worden na thuiskomst, antwoordde hij simpel: 'Dan beginnen ze er helemaal niet meer aan!' Ik heb me toen voorgenomen dat anders te doen, waarmee ik mijn onverteerde wetendheid over het niet-bestaan van het doenerschap nog liet blijken. Maar toen ook het laatste spoortje doenerschap mocht oplossen, kreeg ik ongevraagd de code voor het begrijpen van de Odyssee op een presenteerblaadje.
Het unieke van de Odyssee is dat het dat proces van een leven in eenheid naar dualiteit en weer terug naar die eenheid in zijn geheel verbeeldt. Bovendien is het in al die eeuwen onveranderd bewaard gebleven, zonder dat 'vrijerssystemen' eraan hebben gesleuteld om het aan te passen aan de heersende moraal. Het laat ook zien dat de oude Grieken zeer tolerant en hoog beschaafd waren door de manier waarop ze verheven zaken relativeren en met humor blootleggen. Geen andere mij bekende cultuur geeft voor de uitleg van het belangrijke inzicht - water speelt met water - een beeld van hun hoogste god die als een overspelige dwaas zijn vrouw zo vaak bedriegt.

Voor mij is de episode bij Charybdis het belangrijkste inzicht van de reis van Odysseus. Daar leer je dat je voorbijgaat aan de drie toestanden, terwijl je ze moeiteloos blijft volgen. Zo raak je doordrongen van het feit dat je dus niet in een van die toestanden kunt vastzitten noch wonen. Ja, dat brengt je denken behoorlijk in paniek, want dan moet ik dus iets anders zijn dan ik altijd dacht dat ik was! Dat proces is vaak moeilijk, zo niet dramatisch en kan heel lang duren. Vrouwen denken dan meestal dat ze gek worden en mannen dat ze doodgaan. Maar na die woestijnperiode ga je steeds meer en duidelijker zien dat je niet dit lichaam in de waaktoestand kunt zijn. Dus zie je het lichaam steeds meer als object en komen de vrijers, je honderdacht ikjes met al hun verschillende neigingen, los van hun ene ik-zijn.

Als je het lichaam er figuurlijk uitgegooid hebt als zijnde niet van jou, is het fijne dat je gaat zien dat het lichaam een goedzak is die geen aandacht vraagt zoals de vrijers, maar alleen bevrediging zoekt door eten, drinken en seks. Zolang de vrijers - je lastigste tegenstanders - zich niet met die bevrediging kunnen bemoeien is er niets aan de hand, gaat die heel natuurlijk en word je zo getuige van het oplossen van het lichaam. Het is namelijk altijd al zo geweest dat het lichaam zoekt naar bevrediging omdat het daarmee het lichaamsgevoel kwijtraakt en we zijn maar al te gelukkig als we het lichaam niet voelen.
Maar met de vrijers ligt het totaal anders. Zij worden nooit bevredigd en blijven maar doorgaan met aandacht vragen. Alleen als ze verliefd zijn, worden ze even varkens en houden ze zich rustig. Maar zodra ze weer uit die betovering raken, bedelen ze weer om je aandacht. Die eeuwige ontevredenheid van de vrijers moet je eerst leren herkennen.
Het zichtbaar krijgen van alle vrijers is in de praktijk niet zoals bij Odysseus iets wat je in een dag kunt zien gebeuren. Je hebt jarenlang naar hun pijpen gedanst en het is moeilijk om ze allemaal onder ogen te komen en ze vervolgens geen aandacht meer te geven. Als ik het op mijzelf betrek, heb ik er na thuiskomst nog tien jaar over gedaan om hun automatisme definitief kwijt te mogen raken. Of iemand je dan de hemel in prijst of de hel toewenst, het is voor jou één pot nat water en je laat je niet meer onwijs maken dat er iets anders is dan water - ook niet als het golfje, dat je ooit als van jou alleen had gezien, een pak op zijn donder krijgt of erger.

Niets anders dan water in vermomming

Als alles water is en de golven nooit iets anders kunnen zijn dan water, waren alle hindernissen en alle hulp niets anders dan water in vermomming. Het onder ogen komen van de gevolgen van dat inzicht ten opzichte van onze ideeën over goed en kwaad, dood en leven en het morele beleven van wat er in deze wereld gebeurt, is een standpuntverandering van honderdtachtig graden. Want er is geen schuld, noch van dader noch van slachtoffer.
Maar hoe zit het dan als ze jouw kind, net als bij Odysseus voor hij ten strijde trok tegen Troje, voor de ploeg leggen? Het totaal overtuigd zijn dat alles bewustzijn is, betekent alles aanvaarden zoals het is en geen enkele reactie meer te bespeuren van een 'ik' in jou. Het is altijd water dat met water speelt. Je zult er misschien nog wel getuige van zijn dat Jan zijn zoon voor de ploeg weghaalt en niet ten strijde wil trekken, maar als dat niet mogelijk is, zal Jan gewoon strijden. Maar je weigert het vechten te zien als iets van jou tegenover anderen, zoals de jou omringende 'golven' het wel ervaren, en je blijft moeiteloos in alles het water herkennen. In jouw beleving dood je niet, doe je niets en laat je niets; alleen Zeus regelt alles. Geef alle verantwoordelijkheid aan Zeus en de zevende dag is een feit, ondanks de oorlog of wat dan ook. Het is uiteindelijk niet wat er gebeurt wat ons gevangen houdt, maar onze beleving ervan.

De dankbaarheid van het zien dat er niets te bereiken valt, dat alles wat er lijkt te worden bereikt ons toevalt en dat we nooit iets doen noch gedaan hebben, maakt dat we er constant bewust van zijn dat we alles krijgen. Dat is een groot verschil met vroeger, toen Jantje nog kankerde op alles en vooral op anderen. Het is dankbaarheid naar alles en iedereen, inclusief de vrijers die mij hielpen duidelijk te krijgen hoe de vork in de steel steekt.
Hoewel ik nu zie dat mijn mentor nooit Wolter is geweest, omdat er niets anders is, was en zal zijn dan het kennen, Zeus zelf dus, blijf ik toch gewoon Wolter zien als mijn grote hulp in de nooit bestaande gekende kant van de drempel. Laat die schijnbare tweeheid met zijn schimmenspel maar gewoon bestaan. Heb dat ene lief en doe wat er gebeurt. Wat maakt het uit als je zeker weet dat het golvenspel niet uit golven maar uit water bestaat? Dan kun je nog steeds rustig de golf Wolter op een voetstukje zetten met aan zijn voeten een erende Janneman-golf. En dat doet geen ikje trouwens, maar zie je vanzelf gebeuren!

De lol van Zeus

Dat alles zien gebeuren is de oceaan van vrede die nergens heen hoeft en alles als zichzelf proeft zonder verzadigd te raken, noch te veranderen. Vanuit die plek beschouwd zijn dood en geboorte niet meer dan verhalen. Het is de vijgenboompositie die je niet meer kunt verlaten om in een van de verhalen te verdwijnen. Dan valt ook al je interesse weg in antwoorden op nieuwsgierige vragen van hoe het nu toch allemaal zit. Al die dingen zijn eigenlijk onzin want je ziet vanzelf dat er maar één waarheid is, want alles is Zeus zelf. Je houdt dan vanzelf op om nog in wat voor verhaal dan ook te geloven en dan wordt het leven vanzelf een spel.
Zo komt de onveranderlijke vrede, die altijd al de vanzelfsprekende ingrond van ons bestaan was, bovendrijven om met zijn zoete zijns-macht alles aan te steken en tot stilte en helderheid te transformeren. Net zo lang tot de scheppende en de vernietigende krachten èn de heldere aandacht één worden met de allesomvattende, ongedefinieerde er-zijnruimte om dan als één ervaring te zijn, het nu.

Laat de Odyssee een hulp zijn om in jouw tempo gaatjes te prikken in de illusies van je golf-zijn, waardoor je vanzelf steeds meer van het geheel gaat zien - net zolang totdat het beeld van Zeus, de ene draad, het water weer helemaal rond is en Athene in haar spel jouw hoofdrol speelt. Dan komt pas de schoonheid van Zeus naar boven en transformeert het hele proces zich tot 'de lol van Zeus'.


(uit: interview Amigo 5)

Amigo: Je hebt altijd een fascinatie voor de Odyssee en Odysseus gehad. Je hebt het als kind al gelezen. Wanneer ontdekte je eigenlijk dat de hele Odyssee een metafoor was voor je eigen zoektocht?

Jan: Ik had op een gegeven moment schoon genoeg van het zoeken naar de waarheid, zag de onoplosbaarheid van alle ellende van de wereld en vluchtte door middel van meditatie in een trance.
Ik kon toen heel lang in trance blijven en toch nog gewoon alles doen, maar dan zonder het echt te voelen. Trance is eigenlijk hetzelfde als de natuurlijke staat, maar dan gedaan door een gekwetst ikje, dat niet meer mee wil spelen in de boze wereld. Je zit dan lekker, heerlijk, veilig in je trance-je en hebt niets met de wereld te maken.
Op een gegeven moment was ik in trance bij Wolter, die toen net bezig was om mensen uit te leggen hoe stom ze waren als ze in trance, ook wel samahdi genoemd, raakten en daarin bleven steken.
Op dat moment knalde die trance ineens open: ik moet langs de Sirenen maar wel luisteren naar wat ze te vertellen hebben. En ik moest de ikjes (de jantjes) niet laten 'mee luisteren' en m'n aandacht gericht houden op de mast (het subject), om niet door het eeuwige 'waarom-verhaal' van de Sirenen in een 'never ending story' te worden meegezogen. Op dat moment werd ik me er pas echt van bewust dat de Odyssee altijd al een soort 'volautomatische' leidraad voor me was geweest en synchroon leek te lopen met mijn advaita vedanta pad en dat de Odyssee een authentiek draaiboek voor 'het zoeken naar huis' is. Tegelijkertijd zag ik; dat er geen ikje was die dit deed, het overkwam me gewoon.

Je hebt uit de Odyssee je eigen taal en toonzetting ontwikkeld om hierover te praten en je vertelt naar aanleiding daarvan over je eigen zoektocht.

J: Ja, wat me steeds meer begon te interesseren is: zou dit nu echt zo bedoeld zijn?...
Als kind wilde ik, zoals elk kind, de grote wereld begrijpen en beheersen. En het antwoord, dacht ik, stond dan in die zogenaamde geleerde boeken, en dit boek over Odysseus stond in mijn vaders boekenkast. Dat was universele literatuur voor mij.

Hoe heb je dat toentertijd als kind gelezen: als een sprookje of als een bijbel die onderricht geeft?

J: Ik zag alleen maar dat de Odyssee een boek was dat werd gelezen door intelligente mensen en dat ik daar ook bij wilde horen. Tussen al die boeken was dit boek in feite het enige dat voor mij een beetje normaal te lezen was. Andere boeken waren veel te abstract voor mij.
Ik ontdekte toen ook de hypocrisie die er in zat: Odysseus doet alles, neukt er op los, doet alles wat god verboden heeft. Als hij dan uiteindelijk thuiskomt, slacht hij heel hypocriet de 108 vrijers af die helemaal niets met z'n vrouw gedaan hebben, behalve haar proberen te versieren. En die Odysseus vond men een rechtvaardige man !. Dat kon ik niet behappen; ik vond dat zo onrechtvaardig. Toch had ik er wat mee en kwam het steeds terug als ik iets op mijn weg mocht inzien.

Na het grote 'zien', wist je toen al: de Odyssee is mijn manier, mijn taal om het te begrijpen?

J: Dat was zo' n 3 tot 4 jaar geleden. Ik wist dat al eerder, maar ik had alleen nooit gedacht: dit moet verteld worden. In de jaren na Wolters dood had ik al gezien dat het onzin is om 'jezelf' in al die andere golven te gaan vertellen dat je uit water bestaat, want dat is al zo.

Wanneer kreeg je het gevoel dat je erover moest gaan praten?

J: Dat heb ik nooit gehad. Ik heb wel momenten gehad dat ik erover wilde praten, en dat gebeurde ook wel, maar ik heb steeds gekeken of bewustzijn dat ook zo vond. Ergens rond 1988 heb ik, op uitnodiging, een serie lezingen gegeven. Maar dat hield op. Ik heb het nooit gepromoot. Wel heb ik me er op een gegeven moment echt voor open gesteld. Daarna is het allemaal heel snel gegaan.

Heb je toen de Odyssee erbij gehaald als leidraad voor je verhaal?

J: Jan is altijd al een agoogje geweest en als het hele verhaal dan toch een illusie is, waarom zou Jantje dan niet genieten van het verhaal dat alle illusies afbreekt. Iets in mijn hoofd is altijd bezig met hoe het nog beter kan. Dat 'doe' ik niet, dat zit in Jans aard. Gezien Jan's beperkte capaciteiten, met een slecht werkgeheugen, is de Odyssee een makkelijk verbeeldingsboek, waaruit ik (of Jantje) elke keer weer kan putten en op kan navigeren. Een soort innerlijke computer ( kompas?) waarmee ik steeds kan zien in welke toestand iemand zich bevindt en dat kan toelichten met voorbeelden. Het is voor mij een gemakkelijk hulpmiddel om alle verhalen steeds weer terug te brengen tot die ene onveranderlijke essentie.

En het is uniek…

J: Maar je doet het niet! Wat je moet doen, en dat zou ik iedereen aanraden, is 'spelen' met de dingen die je boeien. De Odyssee heeft zich bij mij 'bespeeld', het is een soort verleiding met jezelf. Het leuke is, je bewust te zijn dat je telkens weer iets nieuws toevalt waarvan je van tevoren niets wist. Die hele Odyssee is me toegevallen, maar ook dat is 'twee keer twee is drie' (een schijnbaar gevolg van een schijnbare oorzaak, kortom een verhaaltje). Ik kan het niet anders zien dan dat alles je eigenlijk toevalt. En dat komt niet van een mij, maar van Bewustzijn zelf en dat zit altijd stalles en volgt de show vanuit een schouwend standpunt met als bijwerking Jantjes nederigheid.
Dat is geen aangenomen houding, maar ik schouw vanuit een niet beïnvloedbare plek die zich tegelijkertijd bewust is dat Jantje niets te vertellen heeft. Dat nederige van Jan, daar ben ik getuige van. Jan kan daardoor nooit meer ongezien die kapsoneslijder van vroeger zijn, want ik heb hem zo haarscherp in de gaten; ik zie moeiteloos dat hij 'niets' te zeggen heeft. Is dat niet net als de Odyssee: een verhaal dat alles over 'niets en niemand' vertelt!

voor meer informatie over Jan: www.ods.nl/la-rousselie