Het konijn in de hoed
(Wolter Keers, 1923 - †1985)

Wat ziet en voelt een verlichte?

Hoewel het antwoord op deze vraag uiterst eenvoudig is, is het tegelijk volmaakt onbegrijpelijk. De verlichte voelt alles en niets.
Waarom is het antwoord onbegrijpelijk? Omdat degene die de vraag stelde ‘het konijn van zijn persoonlijkheid’ in de hoed van de verlichte stopt en die, of hij wil of niet, aanziet en moet aanzien voor een andere persoonlijkheid. Het verlengstuk van de persoonlijkheid van de vraagsteller is de persoonlijkheid die hij op de verlichte projecteert. Er bestaat niet zoiets als een verlichte persoonlijkheid.

Zo lang men zichzelf aanziet voor een persoonlijkheid, dat wil zeggen voor een standpunt, verschijnt iedereen, ook de ‘grootste’ verlichte, voor hem als persoonlijkheid. De vraagsteller ziet een meneer of mevrouw, omdat hij zichzelf aanziet voor een meneer of mevrouw. En hij ziet derhalve een meneer met allerlei eigenschappen. Sommige van die 'verlichte mannen of vrouwen' stralen van heiligheid en dan is de persoonlijkheid onmiddellijk bereid te geloven dat het hier om 24 karaats goud gaat. Maar anderen, die ook verlicht heten te zijn, blijken slecht gehumeurd of opvliegerig of behept met wat voor eigenschappen dan ook. Dus kan zo iemand niet verlicht zijn.

In feite valt er geen criterium aan te leggen. Er is geen gedrag waaruit men kan afleiden of iemand al dan niet verlicht is. Er zijn mensen van wie men beweert en van wie 'erkende verlichten' beweren dat het verlichten zijn, die zich gedragen als de dorpsidioot. Wie kan begrijpen dat iemand die zich kwaad kan maken of die bezorgdheid toont enzovoort, toch 'een verlichte' is? Want hoe vallen deze dingen met elkaar te rijmen?

De verlichte is in zekere zin alleen een verlichte vanuit dit éne onpersoonlijke standpunt. Hij is het geluk zelf, maar niet dat wat de persoonlijkheid geluk noemt. De persoonlijkheid spreekt van geluk wanneer er een bepaalde diepe emotie verschijnt. De verlichte is dat waar die emotie uit bestaat, waaruit ze opkomt en waarin ze weer oplost zoals ijs in water, zonder een spoor achter te laten. Wat hij 'geluk' noemt is altijd tegenwoordig als achtergrond van alle dingen, ook van de bewegingen van het gevoel, met inbegrip van woede, bezorgdheid en andere dingen. Hij weet dat hij op geen enkele wijze door die gemoedsbewegingen wordt beperkt. Hij is als de Indiase inspecteur van het gevangeniswezen over wie Shri Krishna Menon vertelde: soms moest de inspecteur in een verre uithoek een afgelegen politiepost bezoeken. Er waren daar geen hotels. Dus sliep de hoogedelgestrenge in een cel, net als de inbreker in het hok naast hem. En zo was er, oppervlakkig gezien geen enkel verschil tussen de inspecteur en de gevangen inbreker. Beiden sliepen in een kleine cel, achter een getraliede deur. Maar als we dieper op de situatie ingaan, is er een hemelsbreed verschil: de gevangene moet in de kooi blijven, of hij wil of niet. De inspecteur kan er uit, elk ogenblik dat hij dit verlangt.

Van buitenaf gezien is dat de positie van de verlichte. Er is misschien een verschijnsel dat overkomt als persoonlijkheid met allerlei hebbelijkheden en onhebbelijkheden, maar de verlichte kan, elk ogenblik dat hij dat wenst, de kooi uit. Dit is mogelijk vanaf het moment dat hij het perspectief heeft gezien zoals het wezenlijk ligt: vanaf het ogenblik dat hij met zijn hele wezen heeft gezien dat al die dingen die hij tot dan toe aanzag en zelfs aanvoelde als 'ik', niets meer en niets minder zijn dan voorbijtrekkende verschijnselen. Want dit kan alleen gezien worden vanuit een 'observatiepost' buiten de persoonlijkheid, buiten het raam van lichaam, zintuiglijkheid, denken en voelen. En 'buiten de kooi' is men niet een iemand die nu vrij is, maar de vrijheid zelf. En dat is wat de oude tradities wel eens aanduiden met 'verlicht zijn'.

Vraag: Als ik u hoor spreken kan ik het in theorie best volgen en geloof ik dat ik het wel goed begrijp. Maar ik vind het verschrikkelijk moeilijk om dit alles in mijn dagelijks leven toe te passen. Kunt u ons een hulpmiddel geven? Wat moet je doen in bepaalde situaties?

W.K.: In de loop van de afgelopen jaren hebben we telkens weer ontdekt dat de idee dat we een iemand zijn die allerlei dingen doet, niets anders is dan een projectie. In feite bestaat er niet zo'n ‘iemand’, zo'n actief persoon. Die persoon is uitsluitend verbeelding. Uw vraag is gebaseerd op de veronderstelling dat u in uw leven al van alles hebt gedaan, maar u hebt nog nooit iets gedaan. Na afloop van een handeling of van een gedachte, een gevoel of een zintuiglijke waarneming projecteert er zich als een reflex een 'ik' achter, als een soort staart. Tijdens het luisteren was er geen ik. Maar aan het eind van het verhaal wordt er een ik gefabriceerd die het verhaal gehoord zou hebben.

Hoe kan een ik, die er helemaal niet is, een verhaal horen? Die ik is niets anders dan een verzinsel. Er is niet zo'n ik, en u hebt nog nooit in uw hele leven iets gedaan. De dingen doen zichzelf. U bent waarnemer van de bewegingen van het lichaam, ook van de beweging die u 'uw wil' noemt en die eventueel aan een handeling voorafgaat. U bent, of u wilt of niet en zonder er enige moeite voor te hoeven of zelfs te kunnen doen, waarnemer van voorbijtrekkende gedachten en gevoelens. En u bent ­ en dat is het belangrijkste om te zien ­ ook altijd waarnemer van zo'n ik-gedachte die u als een staart vastprikt achter een gedachte, een gevoel, een waarneming of een handeling. Die ik-gedachte is net zo'n gedachte als de gedachte aan een neef of nicht, of aan de Eiffeltoren. Het is één pan tussen het rijtje pannen op de plank in de keuken. U bent net zomin die ene 'ik-pan' als die andere grote en kleine pannen.

Er is dus geen manier van zich te gedragen in het dagelijks leven. Het enige wat gedaan moet worden is nu juist dít te zien. Er is geen iemand die zich zus of zo gedraagt. U hebt nog nooit iets gedaan en het enige wat er zou moeten gebeuren om bewust de vrijheid te zijn die u altijd bent geweest, is die ik-projectie weer net als een angel uit de activiteiten van lichaam, zintuigen, denken en voelen te trekken.

Vraag: Dus een verlichte ziet zichzelf als iemand die niet actief is, ook al zien anderen hem als iemand die wel actief is?

W.K.: Ja, precies. Zelfs nog wat juister geformuleerd: voor wat u een verlichte noemt is het zo volmaakt vanzelfsprekend dat 'hij' niet een actief iemand is, dat de idee nooit in hem opkomt dat hij wel een actief iemand zou kunnen zijn. Zelfs als hij zegt: 'nu ga ik mijn schoenen poetsen' is er geen enkel idee of gevoel in hem dat hij een iemand is die iets gaat ondernemen.

De moeilijkheid blijft, dat degene die een ander ontmoet, die ander altijd ziet op zijn eigen niveau. Ik herinner me nog heel goed dat het een raadsel voor me was dat ik Ramana Maharshi zag eten. Ik was bij voorbaat overtuigd dat hij een verlichte was, maar hoe het dan kon dat hij ook at en sliep en liep begreep ik eigenlijk niet. Dat kwam doordat ik mijzelf toen nog vereenzelvigde met een lichaam en handelingen. In mijn geval was er een ik-gevoel na het poetsen van schoenen of voor en na het eten en andere activiteiten. Daardoor zag ik de projectie op de dingen van 'mijn' lichaam ook geprojecteerd op 'zijn' handelingen, enzovoort.

Kortgeleden zat ik te praten met iemand die ik overigens een bijzonder warm hart toedraag, toen hij me plotseling vroeg: 'maar ben jij dan gelukkig?' Ik had de euvele moed om daarop 'ja' te zeggen, waarop mijn vriend uitriep, met zijn hand op de tafel slaand: 'nee!'
Daar sta je dan!
Hij denkt, zoals velen denken, dat gelukkig zijn betekent doorlopend een stralend humeur hebben. Maar in feite heeft dat niets met gelukkig zijn te maken. Het wezenlijke geluk is onzichtbaar. Het is de vrijheid zelf en dat wil zeggen dat geluk niet bepaald wordt door de gevoelens die verschijnen, maar door het los staan van die gevoelens. Precies zoals de hemel niet wordt beïnvloed door wolken die op een bepaald niveau voorbijtrekken, en helemaal los van de vraag of het mooie wolken of lelijke wolken zijn. De ruimte blijft de ruimte. En dat is, in onze vergelijking, het geluk. De ruimte die onberoerd blijft, ook al drijven er nog zulke lelijke wolken voorbij.

Vraag: Maar dat is toch vrijwel onbereikbaar?

W.K.: Niet 'vrijwel', maar helemaal onbereikbaar. Wie zou dit kunnen bereiken? Hoe kan een voorbijdrijvende wolk de hemelruimte bereiken? Dat slaat als een tang op een varken. Niemand kan het bereiken, omdat de iemand die het wil bereiken een volledige illusie is. Er is niet zo'n iemand. Een fantasieplaatje kan nooit iets bereiken. Pas als het gefantaseerde ik verdwijnt met alles wat erop en eraan zit, openbaart deze onmetelijkheid zich in haar volle glorie, volmaakt onafhankelijk van lichamelijke of psychische of wat voor gedragingen dan ook. Gelukkig zijn wil zeggen: zo volmaakt zeker zijn van het feit dat je niet een iemand bent dat de idee dat je niet een iemand bent zelfs niet in je opkomt.

Vraag: Misschien heb ik mijn opmerking slecht geformuleerd, maar ik blijf erbij dat dit moeilijk te bereiken is. Laten we dan zeggen dat het uit de weg ruimen van die schijn-ik moeilijk te bereiken is.

W.K.: Dit soort opmerkingen is een vlucht. Zelfrealisatie heeft niets te maken met moeilijk of makkelijk. Om te kijken hoef je niets te doen. Zelfs als je je ogen dicht doet verschijnen er nog plaatjes.
In deze zaal zitten op dit ogenblik tenminste vier mensen die volkomen duidelijk gezien hebben wat ze zijn en wat ze niet zijn. Waarom zij wel en u niet? Omdat zij zich geleidelijk en in sommige gevallen zeer snel, hebben opengesteld voor alles wat zich maar wilde komen laten waarnemen. Zij hebben zich niet bekommerd om de vraag of het moeilijk of makkelijk was. Ze hebben bewust hun 'ogen' open gehouden en in alle helderheid gekeken, 'geschouwd'. Dat is het enig mogelijke.

Mensen die dit allemaal te moeilijk vinden zijn lui, en niets anders. Voor hen is zelfrealisatie niet weggelegd. De enige kwalificatie die men moet hebben, is dat men volkomen ernst maakt met de zaak; dat men bereid is zich in de afgrond te storten. Maar wie blijft luisteren naar zijn angsten, zijn gezellige comfort, zijn luiheid, blijft leven na leven wat hij nu ook al is: iemand die denkt dat het allemaal erg moeilijk is. Aan het eind van zijn leven is het belangrijkste ongedaan gebleven, omdat hij er niet de moeite voor heeft genomen. En zo wordt hij gedwongen opnieuw en opnieuw dezelfde weggetjes af te sjokken... te blijven zwemmen in een onmetelijk bord vol grijze, zoete, kleverige pap.

Vraag: Het blijft niettemin moeilijk om in te zien dat het niet moeilijk is.

W.K.: Wie ver-liefd is, wat letterlijk betekent 'weg van liefde', is een goede minnaar en als de partner ook ver-liefd is, is er een prachtig koppel, maar wie neurotisch is vindt dat hij meer zou moeten liefhebben dan hij doet. Met andere woorden, wie het accent legt op zichzelf in plaats van op de geliefde en vindt dat hij, de persoonlijkheid, liefde zou moeten produceren, voor hem wordt zelfs de liefde een onmogelijke opgave.

Als jij, jij, jij maar niets doet; als jij jezelf maar toestaat op te lossen in de liefde die je bent in de diepte van je wezen, wordt elk ander probleem opgelost. Dan is ook de weg die we Jnana Yoga noemen zo licht als een veertje en dan zul je nooit meer vragen stellen over moeilijk en gemakkelijk.

Uit: Yoga en vedanta, juni 1976

(illustratie: Shunyam)