Knipsels waarheid


Hebben en zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de and're schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

[Ed. Hoornik]


Hemel

Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel.
Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.
Een opening en niets daarbuiten,
maar wijd open.

Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht,
noch mijn hoofd achterover te buigen,
om de hemel te bezien.
Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden.
De hemel omwindt me strak
en tilt me van onderen op.

Zelfs de hoogste bergen
zijn niet dichter bij de hemel
dan de diepste dalen.
Op geen enkele plaats is meer hemel
dan op enige andere.
De hemel drukt even absoluut
op een wolk als op een graf.
De mol kan zich even hemels voelen
als de uil die zijn vleugels wiegt.
Een ding dat in de afgrond valt,
valt van hemel in hemel.

Korrelige en rotsachtige,
vloeibare, vlammende en vluchtige
lappen hemel, kruimels hemel,
vlagen hemel, stapels.
De hemel is alomtegenwoordig
Zelfs in het onderhuidse duister.
Ik neem hemel op, scheid hemel af.
Ik ben een val in een val,
een bewoonde bewoner,
een omhelsde omhelzing,
een vraag in antwoord op een vraag.

De verdeling in aarde en hemel
is geen geschikte manier om aan dit geheel te denken.
Ik kan er alleen mee overleven
op een preciezer adres
dat sneller is te vinden,
mocht ik worden gezocht.
Mijn bijzondere kenmerken zijn
geestdrift en vertwijfeling.

[Wislawa Szymborska]


God en ik zijn één; hij werkt en ik vind.

[Meester Eckhart]


Ik grens
Aan twee kanten
Aan het licht :
Ik word verwekt
En ik ga dood :
Een spiegel
Kijkt in een spiegel.

[Hans Andreus]


Het klassement van de Stilte.

Alles wat in de ruimte is,
ís de ruimte – en niet.

Dus noem mij:
schermutseling, versierde galg.
Noem mij grap in de oorlog,
en witte magnolia.
Noem mij lichaam, scheiding,
of molecule in de muur.
Ik ben het – en niet.

Wijs dan met de vinger ergens :
Naar de wandelende tak, de verborgen agenda.
Naar de zee die haar krullen imiteert,
Het geurspoor, de galop, de lach.
En hoor hoe de Stilte
De vervoeging van «Grenzen» reciteert:

Eerste persoon meervoud:
Ik ben nergens niet.

[Pol Sturtewagen]


Paradox

Daal in wat stijgt
Krimp in wat uitzet
Nader in wat zich verwijdert
Treed binnen in wat grensloos wordt.

Ga verloren in uw winst
Geef u over aan uw zegepraal
Ontvang wat u verstoot
En als ge zien moogt, word dan blind.

Zo bad ik en werd verhoord :
Doof hoorde ik
Gevoelloos voelde ik
En onwetend wist ik.

[Erik Van Ruysbeek]


[...] Ik heb geleefd, gekeken, gelezen, gevoeld, Wat heeft lezen ermee te maken, Al lezend kom je bijna alles te weten, Ik lees ook, Dan zul ook het een en ander weten, Daar ben ik nu niet zo zeker van, Dan moet je op een andere manier lezen, Hoe, Dat is niet voor iedereen hetzelfde, ieder verzint zijn eigen manier, de manier die hem het best past, je hebt mensen die hun hele leven lezen zonder dat ze één stap voorbij het lezen zelf komen, ze blijven aan de bladzijde kleven, ze zien niet dat woorden slechts keien zijn waarover je een rivier kunt oversteken, die daar liggen om je naar de andere oever te brengen, de andere oever, daar gaat het om, Tenzij, Tenzij wat, Tenzij zulke rivieren niet twee oevers hebben maar een heleboel, tenzij iedere lezer zijn eigen oever is en de oever waar hij heen moet de zijne en strikt de zijne [...]

[José Saramago in 'Het schijnbestaan', uitgeverij Meulenhof]