'de
Stoelendans'
'Het gezochte is het meest simpele in jezelf en
valt niet te bereiken; het is er al. Stilte als onveranderlijke
basis.'
(gepubliceerd in Bres, nummer 212 van feb/mrt
2002)
Het aantal leraren in de Advaita 1) traditie
(= leer van het non-dualisme) neemt toe, ook in Nederland. Hiervan
getuigt het boek: 'Welkom in satsang. Acht leraren over de essentie
van het bestaan'. 2) Onderstaand artikel van de hand
van Albertine van Peursen is hierin opgenomen en is een bewerking
van een van de lezingen 3)van Jan van Delden.
'Met mijn verhaal wil ik iets vertellen dat eigenlijk
niet onder woorden te brengen is. De stilte die je hoort in de muziek,
in meditatie of in wat dan ook, valt niet te beschrijven, maar om
die stilte binnen te gaan en in je hart mee te dragen, hebben sommige
mensen een verhaaltje nodig. Mijn verhaaltje doe ik met stoelen omdat
ze voor mij een beeld scheppen als extraatje buiten de woorden om.
Hiermee probeer ik iets uit te leggen dat zo simpel is, dat je geest het niet
kan bevatten. Ons denken weigert dit te begrijpen, omdat ons denken altijd
iets wil bereiken. Waar ik het over heb, valt niet te bereiken. Het is het
meest simpele in jezelf, daarom wordt het over het hoofd gezien.
Dit zijn vier stoelen die in elkaar gezet staan voor de essentie, de Eerste
Oorzaak. Voordat er iets was, voordat er een Jan was, moet iets de Eerste Oorzaak
zijn geweest, iets waarin Jan kan verschijnen. Deze stapel stoelen symboliseert
ook dat het eigenlijk één stoel is, waar je oneindig dingen uit
kunt halen.'
De Eerste Oorzaak is nooit verschenen
'Te beginnen met die Eerste Oorzaak is voor mij een andere manier
om het te bekijken. Normaal gesproken zijn we gewend dat wij als
zoekers naar dat Ene verlangen. We maken daar iets heel abstracts
van: God, het Absolute, iets heel ver weg. Eeuwenlang werd daar tegenop
gekeken. Als je het verhaaltje in de geest even omdraait en je gaat
ervan uit dat de Eerste Oorzaak, de essentie waaruit alles bestaat,
nooit ergens uit verschenen kan zijn, dan is er nooit een ei-kip
situatie geweest. De Eerste Oorzaak is nooit eerder verschenen, die
was er al; anders is het geen Eerste Oorzaak geweest. Dit impliceert
dat het allesomvattend is: het heeft geen enkel ding buiten of binnen
zich.
Als je het vanuit de essentie bekijkt, is er niets anders dan de Eerste Oorzaak
en kun je daar onmogelijk een tweeheid hebben. Maar in de gewone wereld
beleven wij het heel anders; voor ons is dualiteit normaal. Jij zit daar en
ik zit hier. Vanuit de essentie, waar dit allemaal uit moet bestaan, kan er
nooit dualiteit bestaan. Als je dat ziet, kun je er anders naar kijken. Het
probleem is niet meer hoe bij de essentie te komen, maar hoe kan er in godsnaam
dualiteit zijn?'
Dualiteit is de geboorte van het ik
'Voor mij is de dualiteit ontstaan op het moment dat er een 'ik'
uitklapte. (Jan trekt een stoel uit de stapel.) De Eerste
Oorzaak kan op zich niet iets hebben dat uit zichzelf openklapt;
in die zin is dit bedrog, maar ik wil er een beeld bij geven. Als
een kind een jaar of drie is, ontstaat er dualiteit. Even daarvoor
zegt Jantje nog: "Jantje honger", maar zijn ouders zeggen: "Jij
hebt honger" en rond drie jaar begint Jantje te geloven dat
hij hier in dit lichaam woont. Vervolgens ontstaan er een mamma en
een pappa; daarna ervaar je anderen, internet en noem maar op.
Zodra er dualiteit ontstaat, verdwijnt de Eerste Oorzaak. Het ontstaan van
de dualiteit is de geboorte van een 'ik'. Maar voor de geboorte van het 'ik'
was er alleen maar die Eerste Oorzaak. Dit 'ik' is de enige reden waaruit het
probleem bestaat. Als je de spoel even terug zou kunnen draaien, valt die Eerste
Oorzaak weer op zijn plek. Dat is niet makkelijk, want we leven volgens het
denken al zolang als dat 'ikje' met daar omheen een lichaam. Hoe we dat kunnen
laten gebeuren is mijn verhaal.'
Wat je zoekt ben jezelf
'Ik gebruik daarvoor drie van de vier stoelen. De eerste stoel
vertegenwoordigt voor mij de waaktoestand, de tweede de droomtoestand
en de derde de droomloze slaap. De vierde stoel blijft staan als
symbool van de Eerste Oorzaak. Wat er ook gebeurt, die blijft onaangetast.
Als ik vanuit de stoel van de waaktoestand kijk, ben ik in de dualiteit, in
de tweeheid.(Jan staat op met stoel tegen z'n achterwerk geklemd, buigt
voorover en slaat met een hand op beide benen.) Dan ben ik deze stoel kwijt.
Normaal gesproken leef ik zo de hele dag. Altijd op zoek om een te worden
met iemand of iets. Hoe ik het ook probeer, mooie vrouwen, auto's, ik vind
maar niet dat geluk en ik weet niet waar het zit. We steken enorm veel energie
in het bereiken van het geluk daar, terwijl het geluk niet dichterbij komt.
Sommige mensen hebben het geluk dat ze verliefd worden. Die ontmoeten een ander
die in dezelfde situatie zit. Verliefdheid is eigenlijk een trucje van de natuur,
want in feite willen die twee mensen hun zelf ontmoeten. Zij zoeken zichzelf
maar kunnen dat niet vinden, want er zitten twee lichamen tussen. Het trieste
is dat we lichamelijk geblokkeerd worden terwijl we eigenlijk verliefd werden
op de lege stoel, de Eerste Oorzaak, ons ware zelf.
Als we de verliefdheid even loslaten, zie ik dat het enige wat ik zocht mezelf
is, mijn eigen intimiteit, mijn eigen liefde. Als we zien dat we de liefde
zelf zijn, dan heb ik die ander niet meer nodig. Maar zover is het vaak nog
niet. We moeten eerst leren dat wat we echt zoeken zo dichtbij onszelf is,
dat we het helemaal niet kunnen bereiken.'
Het kennen woont niet in mijn lichaam
'Om de lege stoel, het symbool van wat we zoeken, beter te belichten,
ga ik hem even kunstmatig van me losmaken. Als ik in het dagelijkse
leven als Jan leef, heb ik de indruk dat ik alles vanuit mijn lichaam
ken. Bijvoorbeeld: hé, daar is mijn kopje, ik ga ernaar toe,
pak het en drink. Daarin overbrug ik iets. Maar in feite is er alleen
het kennen van deze handeling, door het onpersoonlijke, vormloze
kennen... die lege stoel daar. De stoel is datgene dat alles kent
en Jan, die hele waaktoestand, wordt door mij - dat vormloze er-zijn
- gekend. Ons is verteld dat het kennen in mijn lichaam woont, terwijl
niemand het daar ooit gevonden heeft. Het kennen heeft geen orgaan
of zintuig. Het kennen van alles, waar we gewoon in functioneren,
zit niet in ons lichaam, maar bestaat ergens buiten ons lichaam.
Het kennen heeft geen substantie en is dus in dit verband subjectief. Het kan
niet iets zijn en dus kan het ook niet gekend worden. Trouwens, als ik vanuit
het object 'Jantje' het kennen te pakken wil krijgen, gaat dat helemaal niet.
Het object kan nooit het subject pakken. Dit is moeilijk voor ons denken te
vatten.
Toch moet het kennen er al zijn, de hele dag. We staan 's morgens op met een
rotbui en we weten het gelijk. Geen seconde hoef ik daaraan te twijfelen. Elk
ding dat in mij verschijnt, wordt moeiteloos gekend. Hoe kunnen we nu zichtbaar
krijgen dat het kennen niet in mijn lichaam woont?
Als het kennen in Jan had gewoond, dan was het vanavond als Jantje gaat slapen
ook verdwenen. Maar als ik naar de stoel van de droomtoestand verhuis en Jan
en zijn wereld achterlaat en in die stoel de droomhoofdpersoon zie verschijnen,
dan is Jan verdwenen. Maar het kennen dat Jan volgde met zijn hele avontuur,
datzelfde kennen volgt nu mijn droomhoofdpersoon. Moeiteloos. Dus het kennen
kan nooit in Jan hebben gezeten. Het kennen kun je nog steeds niet concreet
maken, maar je kunt zien dat het kennen los moet zijn van Jan.'
Het kennen is draagmoeder van al wat verschijnt
'Het kennen heeft nog een facet. Het is niet trouw: het laat
Jan los met zijn wereld en even later laat het die droomhoofdpersoon
ook zo maar gaan en gaat het mee naar de droomloze slaap. Zonder
scrupules. Het kennen van de droomloze slaap, waar dus 'niks' te
kennen valt, kent de afwezigheid van het kennen. Maar het kennen
is daar wel degelijk. Het kent die toestand, die afwezigheid van
het gekende. Moeiteloos. Het bewijs daarvoor is dat het er gewoon
weer is, als er iets gekends langskomt. Als je droomloos hebt geslapen
hebt, weet je dat. Het kennen blijft dus gewoon aanstaan.
Ieder van ons heeft het kennen in zich dat altijd moeiteloos functioneert.
Wil ik mijn lichaam goed laten functioneren, dan moet ik misschien minder eten,
minder drinken, niet roken. Maar voor het kennen hoef ik absoluut niks te doen
of te laten. Het kennen blijft, los van de conditie van Jan of die van de droomhoofdpersoon,
moeiteloos de essentie daarvan. Het vraagt geen aandacht of verzorging, het
vraagt helemaal niks. Het is altijd de draagmoeder van elke toestand die in
mij verschijnt. Ik moet dus wel inzien, dat het kennen de enige toestand is
die ik in mijzelf als stabiel aantref. Elke toestand van Jan, Jantje gelukkig
of ongelukkig, wisselt voortdurend. Dus als we dat onbeschrijfbare kennen toch
willen beschrijven, kunnen we een ding vaststellen: het is altijd kennendheid. 4) Dit
is de eerste poot van de lege stoel, een van de vier eigenschappen van de essentie
of Eerste Oorzaak.
Tegelijkertijd kun je inzien dat, omdat er altijd kennendheid is, het
ook altijd nu is. Het is altijd nu, want het verplaatst zich niet en het is
altijd kennendheid, want het kent altijd. Hiermee hebben we al twee poten van
deze onbeschrijfbare er-zijnheid.
Helaas kunnen we met die twee dingen weinig concreet maken. Ik kan moeilijk
de hele dag zeggen: 'ik ken' of 'het is nu'. Dan wordt het al gauw een mantra
zingen. Dat is mooi en het werkt goed, maar het is omslachtig.'
Met de stilte kun je de smaak van het kennen proeven
'De derde poot is makkelijker vast te pakken. De derde poot is:
alles wat er gebeurt, valt altijd terug in stilte. Als er geluid
is, valt het uiteindelijk altijd terug in stilte. De stilte blijkt
daarvan altijd de basis te zijn. Stilte is volgens mij de makkelijkste
ingang om de smaak van dit kennen te proeven, want als we deze smaak
kunnen proeven, zouden we tegelijk de smaak van het kennen weten
en de smaak van het nu. Met andere woorden: als we gewoon onze dagelijkse
dingen doen, weten we altijd dat de essentie van dat alles gebeurt
in de stilte. Tegelijkertijd is duidelijk dat die stilte ook het
nu is en die kennendheid.
Die stilte is voor mij een soort geruis. Als je vroeger Ramana Maharishi vroeg
hoe je naar de stilte moest komen, zei hij: "Stel de vraag: wie ben ik
wezenlijk?" Het antwoord is: stilte. Of 'ik weet het niet' maar dan vloeit
de stilte daaruit voort. Ramana zei ook: "Als je weer gaat denken, moet
je die vraag opnieuw stellen." Voor de hele harde werkers kan dat werken,
maar dat is omslachtig. Het zou makkelijker zijn als we de stilte ingaan en
dan proberen het geluid van de stilte te pakken. Het heeft alleen één
probleem: met het geloven van een gedachte is het kapot. Bijvoorbeeld: is dat
alles?
Willen we naar de Eerste Oorzaak of het kennen toe, dan komen we er steeds
meer achter dat het geloof in een ik, dat is dus het geloof in elke ik-gedachte,
het enige is dat ons van de lege stoel afhoudt.
Dit stoeltje (Jan wijst op de lege stoel) kunnen we niet bereiken, het
is al deel van me. We kunnen ons alleen realiseren dat dat er is. Dat gaat
het beste als je de stilte van die stoel zou kunnen meenemen als een soort
zwevend blok.
Stilte heeft niets te vertellen. De Eerste Oorzaak heeft volstrekt niets te
vertellen en heeft geen enkel intellectueel verhaal nodig. De hele Advaita
en alles wat ik hier vanavond vertel, is allemaal bullshit - als het
om het onpersoonlijke, vormloze kennen gaat. Die stilte is zo abstract simpel
dat het denken dit, de essentie, die Eerste Oorzaak, niet kan bevatten en daarom
maken we er een verhaaltje van: om te kunnen wennen aan het feit dat de stilte
het enige antwoord is. Het vasthouden van die stilte is hetzelfde als ik, terwijl
ik praat, mijn aandacht bij het geluid van de regen buiten houd. Als ik dat
geluid kan vasthouden terwijl ik werk, liefheb of wat dan ook, als ik de abstractie
van het kennen, het onpakbare, kan beseffen kan ik die stilte proeven.'
Het kennen is mijn thuisbasis
'Als ik altijd weet dat, waar ik ook ben, de basis van mij de
stilte is, het nu en de kennendheid, kan ik leren het kennen
en het gekende te scheiden. Ik noem dit: geef aan God wat van God
is en geef aan Caesar wat van Caesar is. Je moet een kunstmatige
scheiding maken, je kunt in feite het filmdoek niet van de film scheiden.
Als de lege stoel het kennen is, dan is alles wat het kennen kent,
het gekende. Mijn praten, denken en voelen is gekend, kortom alles
van Jan, van wie ik vroeger dacht dat ik het was, is gewoon iets
gekends. Iets in ons is moeiteloos getuige van dit gekende manneke.
Het kennen zelf heeft helemaal niets te maken met dit gekende. Wat
er ook in verschijnt, het kennen protesteert niet. Of Jantje nu een
rotbui heeft of staat te huppelen, het kennen volgt gewoon dat wat
er is.
Als je het figuurlijk gaat scheiden, kun je voortaan als je een probleem hebt,
altijd zeggen: waarin verschijnt dat probleem? Hoe weet ik dat ik hier ongelukkig
ben? Vanuit het kennen gezien, kijk ik moeiteloos naar Jan die ongelukkig is.
Als ik deze innerlijke dialoog steeds zou kunnen voeren en ik zou me in elke
handeling realiseren, dat iets in mij dat moeiteloos waarneemt, wordt de directheid
die ik vroeger voelde van een handelend manneke tweedehands. Ik ben geen eerste
persoon enkelvoud meer, maar nu is het kennen mijn thuisbasis.'
Hoe is de echtheid van de wereld te kraken?
'Dit verhaaltje klinkt natuurlijk heel mooi, maar in de praktijk
is het moeilijk concreet te maken. Hoe kunnen we de echtheid van
de dingen doorkruisen? Als ik vanavond naar bed ga, verschijnt de
droom moeiteloos in mij. Als we de droomtoestand binnengaan, nemen
we niemand mee, niet onze geliefde noch onze kinderen. Zodra de droomhoofdpersoon
zich aandient, voel ik me weer dat manneke dat wegloopt voor de tijger.
Ik heb er geen flauw benul van dat die hele droom van mij is. De
droom uit zich niet in zijn totaliteit, maar vanuit een plek.
Het verrassende is dat in de waaktoestand precies hetzelfde gebeurt. Ik beleef
het vanuit een mannetje, terwijl de hele waaktoestand van mij moet zijn. Als
ik kan zien dat die waaktoestand alleen maar echt is op het moment dat die
waaktoestand er is en dat de echtheid van die toestand totaal los gelaten wordt
als de droom - die ook echt lijkt - in mij verschijnt, kraak ik de echtheid
van de wereld. Als we naar Jantje luisteren, zegt hij: 'ik voel dat helemaal
niet'. Wil ik naar de essentie - de Eerste Oorzaak - toe, dan moet ik
ophouden mij als Jantje op te stellen.
Als ik zie dat de echtheid van Jan niet zo echt is en dat alleen het kennen
op die lege stoel zit en niet het gekende, kan ik mijn aandacht op het kennen
richten. Als ik bovendien weet dat deze toestand altijd het geluid van de stilte
in zich draagt, heb ik daar houvast aan. Of Jantje nu gelukkig is of niet,
steeds meer ga ik inzien dat geluk en ongeluk dingen zijn, die in mij verschijnen
en weer verdwijnen. Niets, geen enkele gedachte, kan langer leven dan hij leeft.
Hij kan vlak erna zeggen dat ie er toen ook was, maar hij moet altijd een keer
ophouden en tussen twee gedachten zit altijd ruimte. Als je kunt zien dat die
basis, altijd onveranderlijk in ons is, krijg je steeds meer stilte in je leven.'
'Ik-ben' is slechts een gedachte die gekend wordt
'De meeste mensen denken dat in het kennen een ik-ben zit, maar
in die lege stoel zit geen ik-ben. Niet dat je daar niet bent, maar
de ik-ben gedachte is iets dat gekend wordt. Dit is heel abstract,
want iedereen voelt: ik ben er toch? Natuurlijk is er een zijn, maar
geen ik. Om dat uit te leggen, gebruik ik de droomloze toestand,
die voor de meeste mensen een gat of een niets is. Niemand heeft
in die toestand ooit een ik gevonden. Toch ben ik daar. Als ik puur
vanuit de lege stoel kijk, kan ik zien dat ik in de droomloze slaap
zonder een ik kan zijn. Ik ben er, maar ik heb geen ik nodig om daar
te zijn. Als ik er in de droomloze slaap niet ben, is dat in de droom-
en waaktoestand ook zo. Ik-ben is altijd iets gekends, nooit iets
kennends.
Zo kom ik tot de conclusie dat het kennen zelf onafhankelijk is van wat er
in elke toestand gebeurt. Het kennen zelf wordt nooit beïnvloed. De pijn
van Jantje hier, is niet de pijn van de droomhoofdpersoon.'
Afkicken van de verslaving aan de wereld
'Als ik steeds meer ga zien dat de essentie van ieder van ons,
die kennendheid er al helemaal is, kun je langzaam afkicken van de
verslaving aan de wereld, de gekende kant. Het is een prachtige kant
en dit Jantje hoort erbij, maar woon ik daar, of zit ik in het kennen? To
be or not to be, that is the question. Ieder van ons woont er
al, we hoeven het ons alleen maar te realiseren. Realisatie betekent
dat je je met aandacht realiseert dat het kennen ieders basis is.
Als ik me realiseer dat het kennen er altijd is om het gekende te zien, dan
zal ik steeds meer inzien dat het hele gekende iets is dat in mij komt en gaat.
Dit betekent in feite dat ik altijd al hier in het kennen heb gezeten. Ik heb
het kennen nooit verlaten. Ik heb alleen altijd gedacht dat ik Jantje was.
Ik ben er achter gekomen dat ik niet de maan of Jantje ben, maar de zon zelf.
Het kennen is de zon, de essentie die altijd moeiteloos jouw basis is. Als
je je daar helemaal van bewust wordt, komt er een moment dat je gaat inzien
dat het kennen eigenlijk los staat van het gekende. Het filmdoek staat los
van de film.'
Ik kan het object niet bereiken
'Toch is het verhaal nog niet helemaal rond. Hier heb je het
gekende en daar het kennen; er is nog steeds sprake van dualiteit.
Maar de essentie of Eerste Oorzaak staat geen dualiteit toe. Hoe
zit dat dan? Ik heb weliswaar de onverplaatsbare kennende kant in
mezelf gevonden, maar er zit nog steeds een heel publiek, inclusief
Jan en al het gekende.
Als ik probeer één te worden met de gekende kant moet ik mijn
zintuigen gebruiken. Ik maak bijvoorbeeld contact met mijn vinger en de tafel;
het voelt hard en glad, maar ik kan daar niet komen. Ik kan wel binnen mijn
vinger de hardheid van buiten voelen, maar ik kan het object, de tafel, niet
bereiken. Mijn zintuigen houden op van binnen. Er is wel het kennen van een
object. Met mijn oren hoor ik het geluid van de regen, maar ik hoor het niet
buiten maar binnen mij. Het wordt gekend binnen mij. Ik kan daar met mijn zintuigen
niet komen.
Als ik steeds meer ga inzien dat ik vanuit het kennen het gekende niet kan
bereiken maar wel kan kennen, komt er een moment dat ik inzie dat ik mijn hele
leven altijd gezocht heb om een te worden met die gekende kant, met
mijn brandweerwagen, mijn vrouwen, mijn vrienden. Maar dat lukt niet.
Als ik zie dat het een-worden niet iets is wat je kunt doen, want van
mij uit is het onmogelijk om in het gekende te komen, komt er misschien een
moment dat je je realiseert dat er wel een kennen van Jantje en het kennen
van wat dan ook is, maar dat er niets in het kennen zit. Dat er geen object
in zit!
Is het wel nodig om verder te gaan dan het kennen? Kan ik niet veel beter bij
de praktijk blijven en zien dat het kennen altijd het kennen van een wereld
is? Het kennen van Jan, het kennen van goed en slecht is wel aanwezig, maar
de objecten daarin bestaan niet. Ofwel daar is geen sprake van materie want
ik kan er niet komen. Dan zou ik een stuk dichter bij deze lege stoel komen.
De lege stoel die allesomvattend was en geen begin of eind kan hebben, waar
niets uit kan verschijnen of verdwijnen, gaat hier helemaal op lijken.'
Alleen het kennen is je geboorterecht
'Als er alleen maar een kennen is van een wereld, het kennen
van het leven van Jantje, het kennen van mensen, email en de hele
mikmak, is het kennen de basis, het fundament. Er is nu alleen het
kennen zelf.
Ieder van ons heeft alleen het kennen als geboorterecht bij zich. Als je zou
inzien dat je altijd binnen dat kennen bent, dat het kennen vanzelfsprekend
de basis is van al je handelingen, ga je alles herwaarderen. Want als er alleen
maar kennen is, woont daar niemand. Er is geen ander. Er is alleen het kennen
van de ander. Maar als ik die ander niet kan bereiken, is er niemand. Als alleen
het kennen de essentie is, ontdek ik dat ik overal bij mezelf zit. Als ik in
het kennen zit, heb ik die anderen van hun stoel gehaald en zie ik daar alleen
nog het kennen zelf. Ik dematerialiseer al die mensen en ik breng ze terug
tot wat ze zijn en waar ze op zitten, namelijk op mijn stoel. Met mijn stoel
bedoel ik niet Jantjes stoel, maar mijn lege stoel, de Eerste Oorzaak. Dat
is ieders stoel.
Als ik die toestand zou kunnen blijven zien, houdt bij mij heel langzaam de
afgescheidenheid op. Natuurlijk gaan we gewoon door met het leven van alledag;
als je kinderen hebt, voed je ze op, als je werkt, blijf je werken. Maar nu
is er wel iets totaal veranderd. Je leeft nu niet alleen vanuit Jantje, maar
Jantje leeft eigenlijk in jou. Het kennen is moeiteloos ieders eigendom. Elke
dag.'
Het gekende komt en gaat
'Tegelijkertijd ga je zien dat er geen gisteren en morgen meer
zijn. Dan valt langzaam de angst voor de dood weg. Vanuit Jantje
gezien, is het riskant: hij wordt een dagje ouder, kalend, bijziend,
krijgt een buikje... Maar als je vanuit het kennen kijkt, is dat
niet zo. Dan is er volstrekt niets aan de hand. Ik ben vanmorgen
als 49 jarige man geboren met de herinnering van 49 jaar en als ik
vanavond ga slapen denk ik wel dat ik morgen terug kom, maar dat
is niet waar. Als ik inzie dat ik elke avond volstrekt verdwijn en
dat deze hele toestand ook verdwijnt, gaat langzamerhand de angst
van Jantje ook weg. Er blijft nog wel een biologische angst hangen;
als er een wagen langs komt of een tijger. Maar de angst waarmee
je vroeger bibberend omging, verdwijnt geleidelijk en vanzelf omdat
je steeds meer gaat inzien dat niet het kennen komt en gaat, maar
dat die drie toestanden komen en gaan.
Alle oorlogjes die ik daar in de wereld ooit gehad heb, kunnen ophouden. Zij
houden er niet mee op om tegen Jantje te schoppen, bij wijze van spreken, maar
ik kan ermee ophouden erop in te gaan. Nu zijn jullie voor mij geen mensen
meer, maar simpelweg mezelf. Als er nog plekken zijn die dat niet door hebben
en nog tegen mij willen schoppen, hoef ik daar geen ruzie meer mee te hebben.
Ik voel me ook niet meer aangesproken of de dader. Want ik zit daar in de lege
stoel en niet hier in de waaktoestand.
Ik zie dat dit allemaal in mij verschijnt. Jan is hier gewoon, hij staat hier
wat te praten, maar hoe hij dat doet, weet ik niet. Het gebeurt gewoon. Er
is geen doener. Als hier op deze plek geen doener zit, zit daar waar jullie
zitten ook geen doener. Nergens. Natuurlijk doen we de hele dag van alles en
we denken het nog steeds te doen, maar als we heel goed kijken, zien we dat
het niet echt zo gebeurt. Het verschijnt in ons. Net zoals elke gedachte of
gevoel zomaar in ons verschijnen.
Dit is het allermoeilijkste. Odysseus heeft echt gedacht dat hij het paard
van Troje bedacht had en dat hij zo Troje had overwonnen. Zo heeft Jantje echt
gedacht dat hij zijn leven geleefd heeft. In het begin is het moeilijk om dat
te doorkruisen, maar aan het einde concludeer je dat het nooit zo is geweest.
Uiteindelijk zie je net als Odysseus in, dat jij nooit gereisd hebt. Als je
die ongedefinieerde plek in jezelf echt gaat bewonen, zie je in dat Jan en
alle verschijningen daarin, komen en gaan en dat zij niets anders zijn dan
zelfverbeelding.'
Noten:
- Advaita (Sanskriet, niet-twee-zijn)
is de Indiasche leer die ervan uitgaat dat de enige werkelijkheid
het Ene (Brahman, Bewustzijn, God) is, dat allesomvattend en
tijdloos is. Het dualisme dat het 'ik' ervaart, komt voort
uit maya, de illusie van de objectieve wereld. Werkelijke
vrijheid (verlossing) valt ten deel, wanneer deze illusie is
doorzien.
- 'Welkom in satsang. Acht leraren over
de essentie van het bestaan', Paul Blok. Uitgeverij Altamira
2002 (april).
- Lezing gehouden op 7 november 2000 te Bergen
(NH).
- Kennendheid is een term die Jan in
navolging van Wolter Keers gebruikt voor het vermogen om datgene
wat ziet/hoort/voelt etc., waar te kunnen nemen; het is het
onpersoonlijke, vormloze kennen.
Met dank aan Bob Snoijink en Peter
van Steenwijk. |